Algemeen

De Bevrijding:

Piet riskeerde meer dan hij besefte

Ruim 73 jaar geleden kwam hij in Edam wonen en onderhand woont Piet Grootendorst alweer twintig jaar op het Middengebied in Volendam. Vanwege de vele jaren vrijwilligerswerk op de kaasmarkt en op maandagavond als barman bij de brandweer in Edam, is hij voor velen een bekend gezicht. Ondanks zijn respectabele leeftijd van 89 jaar oogt Piet nog fit. Het grootste bewijs van zijn vitale toestand, is het feit dat hij pas twee jaar geleden zijn kaasmarktuitrusting aan de wilgen heeft gehangen. Wij interviewen Piet in het kader van 75 jaar bevrijding. Tijdens de oorlog heeft hij immers veel meegemaakt. Als kind lag Piet ‘s nachts wakker van de luidruchtige luchtgevechten, ’s morgens baande hij zich naar school een weg tussen de granaatscherven, met paard en wagen smokkelde hij vleeswaren langs de Duitsers de stad in en als klap op de vuurpijl boden zijn ouders vijf jaar lang onderdak aan een Joodse vrouw. Toch vraagt Piet zich bescheiden af of zijn verhaal interessant genoeg is voor de krant.
Door Kevin Mooijer

Piet Grootendorst kan op z’n zachtst gezegd terugkijken op een veelbewogen leven. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader, hij maakte een oorlog mee, verloor een kind, was uitbater van een kroeg, runde een hotel en was melkboer. Zijn verhaal begint op een boerderij in de Bijlmer, waar Piet als achtjarig jongentje woonde voordat de oorlog uitbrak. ,,Mijn vader en moeder waren boer en boerin. Vader slachtte zelf schapen om vlees aan restaurants en slagerijen te verkopen en mijn moeder maakte zuivelproducten.”
De polder waarin de familie Grootendorst woonde, werd vlak voor de Duitsers Nederland binnenvielen onder water gezet. ,,De Nederlandse overheid deed dit uit voorzorg. Het idee was om Duitse parachutisten geen geschikte landingsplek te bieden. Of om de opties in ieder geval te beperken. Na de onderwaterzetting stond het hele gebied blank. Alleen de boerderij van mijn vader was nog toegankelijk, maar de meeste grond eromheen niet. De boerderij lag erg afgezonderd, dus we hebben tijdens de oorlog niet veel last van moffen gehad”, herinnert Piet zich. ,,Door de onderwaterzetting was er niet genoeg grond meer voor de koeien om te grazen. Mijn vader ging dus op zoek naar een nieuw stuk grond. De geschikte plek vond hij een stukje verderop in Duivendrecht. Tijdens de oorlog huurden we een stuk land op de plek waar Ajax nu traint op de Toekomst. We brachten de koeien naar Duivendrecht, maar wij bleven een kilometer of vijf verderop in de Bijlmer wonen.”

Honger
Dankzij het beroep van zijn ouders heeft Piet nooit honger geleden tijdens de bezetting. ,,We hadden altijd eten thuis. Ik zag er zelfs zo gezond uit, dat ik op basis van mijn uiterlijk wel eens mee moest komen met een nazi-officier in Amsterdam. Ik moest mijn papier laten zien omdat ze dachten dat ik ouder was dan mijn toenmalige dertien jaren. Uiteindelijk geloofden ze – ondanks dat ik geen paspoort had – gelukkig toch dat ik een kind was, en mocht ik na overleg tussen twee officieren weer gaan. Achteraf denk ik nog wel eens aan hoe anders het ook af had kunnen lopen.”
Verderop bij de boerderij in de Bijlmer bevond zich een golfbaan met een restaurant. ,,Zo lang het open bleef, verkocht mijn vader veel vlees aan dat restaurant. Daarnaast fietste hij tijdens de eerste fase van de bezetting vaak naar Betondorp (Amsterdam, red.) om vlees aan particulieren te verkopen. Op de fiets kan je natuurlijk niet veel meenemen, maar dat was hoe het toen ging.”
Na verloop van tijd werd het voor Piets vader steeds moeilijker om zijn vlees te verkopen. ,,De Duitsers hadden alle wegen die Amsterdam inleidden, bezet. Ze hadden inmiddels het punt bereikt waarop ze alles afpakten van iedereen. We moesten dus nieuwe methodes bedenken om het vlees de stad in de krijgen. Niet alleen vanwege de verdiensten, maar vooral om de mensen van eten te voorzien. Mijn vader, een volwassen man, kon het risico niet meer nemen om met smokkelwaar te worden betrapt. Voor zoiets stond de kogel of minstens een arrestatie met een enkeltje concentratiekamp. Kinderen lieten ze veelal met rust, dus het beste was om mij te laten gaan. Ik was inmiddels een jaar of dertien toen we het plan bedachten.”
Op de boerderij in de Bijlmer werden lege melkbussen gevuld met schapenvlees en ingeladen op de wagen. ,,Ik vertrok met paard en wagen richting de stad om het vlees aan de man te brengen. De moffen die ik onderweg passeerde zagen de melkbussen en gingen ervan uit dat ik op pad was om te melken.” Om de nazi’s om de tuin te leiden, nam de jonge Piet een langere route terug naar huis, zodat het overkwam alsof hij inderdaad de tijd had genomen om een aantal koeien te melken. ,,Ik hield mezelf voor dat als ik betrapt zou worden, ze het vlees in zouden nemen en me een schop onder mijn kont zouden geven. Ik kan me niet meer herinneren hoe vaak ik het ritje gemaakt hebt, maar ik ben gelukkig nooit aangehouden of gecontroleerd.”

‘Mijn vader kon
het risico niet
meer nemen om met
smokkelwaar te
worden betrapt.
Voor zoiets stond
de kogel of minstens
een arrestatie met
een enkeltje concentratiekamp’

Tijdens de oorlog had Piet familie in Groningen wonen. ,,Nederland had honger en zij hadden onbeperkt aardappels. Het enige probleem was om de aardappels bij het volk te krijgen.” Rondom de boerderij in de Bijlmer bevonden zich weinig andere woningen, maar het feit wil wel dat in één van die schaarse gebouwen de burgemeester zijn intrek had genomen. ,,Mijn vader kon heel goed opschieten met de burgemeester. Hij was in feite onze buurman en we leefden op goede voet met elkaar. Dankzij deze vriendschap kreeg mijn vader het voor elkaar een vrijgeleide van de burgemeester te ontvangen.”
Met deze vergunning zou hij naar Groningen en terug mogen rijden om aardappels te halen. Het enige probleem was wederom dat een volwassen man altijd risico liep gearresteerd of geëxecuteerd te worden. ,,Naast de chauffeur van het vrachtwagentje moest er tevens een vertegenwoordiger van ons mee richting Groningen. Mijn vader vroeg of ik het zag zitten. Zo’n avontuur liet ik als jonge jongen natuurlijk niet aan me voorbij gaan.”
De heenweg verliep soepeler dan verwacht. ,,We konden eigenlijk probleemloos doorrijden naar Groningen. Wel hadden we er uiteraard rekening mee gehouden dat we niet via de Afsluitdijk reden. Daar werd je gelijk beschoten, met dat je in beeld kwam, dus we besloten om te rijden via Zwolle.” Eenmaal aangekomen in Groningen werd de vrachtwagen gevuld met aardappels. ,,Voordat de aardappels in de achterbak gestort werden, verstopten we een mud tarwe. Dit was noodzakelijk om de rit en de vrachtwagen te betalen. De aardappels verkochten we aan buurtbewoners voor een kwartje de kilo, dus daarmee kwamen we niet uit de kosten. Maar tarwe was veel waard, zodoende konden we de tocht betalen.”
Op de terugweg werd de vrachtwagen aangehouden door de Duitsers. ,,Ze wilden onze papieren zien en inspecteerden de auto. Een paar soldaten klommen in de wagen en staken met hun bajonet herhaaldelijk in de aardappels om te controleren of we geen mensen meesmokkelden. De tarwe hebben ze gelukkig niet ontdekt.” Piet kijkt bedenkelijk: ,,Toen we doorgelaten werden, brak de nacht aan. Rond een uur of twee ’s nachts gebeurde er iets dat ik nooit zal vergeten. Er reden nog zo weinig auto’s dat je vrijwel geen tegenleggers tegemoetkwam en er was geen straatverlichting. Het was zo donker dat je geen hand voor ogen zag. Opeens verschenen er lichtschichten langs de auto. We hoorden luid geknal. Op de weg naast ons zagen we ze afketsen. Er werden kogels op ons afgevuurd. Op dat moment verscheen er een Engels gevechtsvliegtuig vlak boven ons. Het vliegtuig raasde rakelings over onze hoofden en zijn kogels doorzeefden het zeil van de vrachtwagen. Uit angst dat hij zou omkeren en ons nogmaals zou beschieten, draaiden we gelijk de gasaansluiting van de auto dicht en zetten we de lampen uit.”
Het bleef een tijdje stil. ,,De spanning was te snijden. We waren doodsbang. De Engelse piloot had vast gedacht dat we Duitsers waren. Na een paar tellen stilte reden we zonder licht voorzichtig door tot we een melkfabriek tegenkwamen. Daar hebben we in de schaduw van de nacht geschuild tot de zon weer opkwam en we onze terugreis weer onder veiligere omstandigheden voort konden zetten.”

Onderdak geboden
Ondanks dat de familie Grootendorst dichtbij de hoofdstad woonde, hebben ze gedurende de oorlog weinig conflicten met de nazi’s meegemaakt. ,,Het enige dat we dagelijks meekregen, waren de luchtgevechten die ’s nachts plaatsvonden. De volgende ochtend liep ik dan weer door de granaatscherven en kogels naar school. We hadden het geluk dat we zo ver afgezonderd lagen dat de moffen de moeite niet namen om naar ons toe te komen. Er heeft zelfs vijf jaar lang een dochter van een Joodse vriendin van mijn moeder bij ons ondergedoken gezeten.”
,,Ze was een jaar of tien ouder dan ik en hielp in het huishouden. ’s Avonds zat ze gewoon aan tafel met ons gezin, dus het was niet zo dat ze zich verscholen hield. Na de oorlog is ze haar eigen weg gegaan.” Hij zucht: ,,Ik heb eigenlijk geen idee hoe het haar vergaan is na de oorlog. Ik herinner me er niet veel meer van. Ik weet niet eens of ze ooit nog contact met mijn moeder heeft gehad. Mijn vader overleed tijdens het laatste jaar van de oorlog aan reuma, dus het was een hectische tijd voor ons gezin.”
In 1947 hertrouwde Piets moeder, om vervolgens te verhuizen naar Edam. ,,Ik verhuisde mee en woonde bij haar in tot ik 1952 mijn eigen boerderijtje kocht. Dat heb ik tot 1958 gedaan, toen kocht ik café De Gevangenpoort. Die eerste twee jaar was ik kroeguitbater en buschauffeur voor de NACO. Het werd zo druk in het café dat ik m’n werk als chauffeur stop moest zetten. In 1962 verkocht ik het café en had ik besloten nooit meer iets in de horeca te gaan doen.”
Een dag na de verkoop van De Gevangenpoort ging de telefoon in huize Grootendorst. ,,Het was een vertegenwoordiger van Heineken, die nog wel een mooie kans wist voor me. Na lang aandringen besloot ik hem zijn verhaal te laten doen. In Egmond stond een hotel van een man die het aan zijn zoon wilde overdoen, maar hij had één probleem: zijn zoon wilde er niks van weten en was er na een ruzie vandoor gegaan.”
Piet en zijn vrouw Cornelia betraden het hotelterrein, waar ze met open armen werden ontvangen. ,,Die man nam ontzettend de tijd voor ons. Hij nam ons mee naar het bijbehorende restaurant en zette de tafel vol met koffie en gebak. Ongeacht hoe vaak ik vroeg wat zijn vraagprijs was, bleef hij de vraag ontwijken. Misschien zou het zo duur zijn dat we het niet op konden brengen.” Na de koffie deed Piet een nieuwe poging. Wederom tevergeefs. ,,Hij zei; ‘doe rustig aan, man. Alles op zijn tijd. Eerst gaan we eten.’ Het was inmiddels etenstijd en de tafel in het restaurant werd gevuld met uiteenlopende delicatessen en gerechten. Ik gaf aan dat dit allemaal niet nodig was en dat hij zich niet zo voor ons hoefde uit te sloven. Hij stond erop dat we meeaten, dus dat deden we maar.”

‘Ik ben dertig
jaar bij de
kaasmarkt betrokken
geweest en heb een
tijdje achter
de bar gestaan
bij de brandweer
in Edam op maandagavond’

,,Na het eten dacht ik dat het moment van de waarheid eindelijk was aangebroken, maar de beste man wilde eerst nog samen een pilsje drinken.” Onder het genot van een biertje werd het langverwachte onderwerp eindelijk besproken. ,,Hij wilde er honderdvijfentwintigduizend gulden voor hebben. Ik had meer iets in de richting van vijfhonderdduizend verwacht, dus we waren er snel uit”, lacht Piet. ,,Twee jaar later verkocht ik het hotel en vervolgens ben ik tot 1966 chauffeur bij Rossenaar Transport in Edam geweest, gevolgd door weer een jaar bij NACO. Van 1967 tot 1979 was ik melkboer in Amsterdam. We hadden een mooie zuivelwinkel en ik had een gezellige venterroute met de melkwagen, maar het mooie Edam riep ons terug.”
Van 1979 tot 1982 werkte Piet als chauffeur voor de eierenhandel van Jan Bak, waarna hij een deal met de pastoor van Edam maakte. ,,Ik wilde de Burghwall huren en als verenigingsgebouw gebruiken. Eerst zag de kerk dat niet zo zitten, maar uiteindelijk konden ze zich er wel in vinden. Tot 1986 heb ik daar als uitbater gezeten. Een supergezellige tijd waarin we onderdak boden aan alle verenigingen van de stad.”
Naast zijn bedrijvige bestaan en het onderhouden van een gezin wist Piet tevens tijd vrij te maken voor vrijwilligerswerk. ,,Ik ben dertig jaar bij de kaasmarkt betrokken geweest en heb een tijdje achter de bar gestaan bij de brandweer in Edam op maandagavond. Ik zou na mijn pensioen een paar weken als barman invallen voor iemand die geopereerd moest worden. De afspraak was dat ik weer zou stoppen wanneer hij weer fit genoeg was om terug te keren. Dus toen hij het weer over kon nemen heb ik iedereen een hand gegeven en ben ik naar huis gegaan. De volgende dag stond het volledige bestuur van de brandweer voor de deur. ‘Waarom blijf je nou niet, man? Kunnen we je niet overhalen?’ Om een lang verhaal kort te maken: de volgende veertien jaar heb ik daar achter de bar gestaan.”

|Doorsturen

Uw reactie