Algemeen

Anna Buijs en het onderbuikgevoel van een moeder

‘Ik wil de ogen openen van ouders’

Anna werd de afgelopen weken, als moeder van John Buijs, overladen met reacties. ,,Kippenvel, tranen, mensen die even helemaal van slag waren toen ze het lazen”, zegt Anna, voor wie het verhaal van haar drugsverslaafde zoon niet nieuw was. Ze kan met gemak een boek vullen over de rits van excessen. ,,De hel.” John zit inmiddels tien maanden in De Stam, de verslavingskliniek waar hij nog ruim een jaar heeft te gaan. ,,Wij zijn ontzettend blij met zijn ontwikkeling en trots op hem, maar…”, is zij zich bewust van de nog af te leggen weg. Zó vaak werd de hoop binnen het gezin de grond in geboord. Zelf sloot Anna jaren geleden aan bij Moedige Moeders. ,,Ik wil graag de ogen openen van andere ouders. Ouders horen pas van het gebruik als het kind al behoorlijk onderweg is. Vervolgens word je nog een tijdje in de maling genomen en daarna gaat het om herkennen en erkennen. Dat zijn moeilijke stappen.”
Door Eddy Veerman

Anna Buijs, met het openhartige verhaal van haar zoon John, dat onlangs in de Nivo stond.


,,Bijna elke ouder weet dat Moedige Moeders hier zit, maar als ze die stap maken, dan erkennen ze het probleem. Dat willen ze eerst niet, dus gaan ze bijvoorbeeld enkele keren testen. Door mijn ervaring en die van anderen weet ik dat je als ouder alert moet zijn en er écht mee bezig moet gaan.”
Als ouder loop je tevens de kans om het meervoudig voor de kiezen te krijgen. ,,Dan hebben andere mensen een oordeel over jou. Dat je er als ouders zelf schuld aan hebt. Maar de situatie ligt voor iedereen anders en bovendien is ieder kind anders. Wij mochten er van John met niemand over praten in de eerste tijd. Ook niet met familie en ik mocht ook niet naar Moedige Moeders. Want dan was het bekend.”

Veertien
,,Gelukkig konden mijn man en ik er samen wel goed over praten. John ontliep ons steeds vaker, dan wil je meer weten, maar ook hulp bieden. Maar hij liet mij alleen toe als hij uit was geweest en wat had gedronken, dan was hij meer open.”
,,Toen hij veertien was, zocht ik toch contact met Moedige Moeders, want ik wilde meer weten. Is John met Johan Tol gaan praten, vanwege het heftige drankgebruik. Ondertussen nam ik drugstesten af. Ik had hulp kunnen krijgen van een psycholoog, maar dat wilde ik toen niet en het mocht ik ook niet van John. Hij manipuleerde ons, hield ons onder de duim. Voordat we het in de gaten hadden dat hij écht een drugsprobleem had, duurde het een tijdje. Dus een ouder moet het niet onderschatten en bij onderbuikgevoelens eerder op ontdekking gaan.”
,,Toen John ging experimenteren, hebben wij hem gesnapt en dan kreeg hij straf. Ging ik wel eens stiekem naar andere ouders, omdat ik wist dat vrienden meededen, maar dan kreeg ik regelmatig te horen ‘dat doet die van mij niet’. En dat, die ontkenning, gebeurt nog steeds. Maar je kunt beter wel willen kijken of jouw kind er aan mee doet. Want de trend van nu, is dat het gebruik van iets heel gewoon is tijdens zitjes. Ook nog onder sommige ouders.”
,,Wat dat betreft is er de afgelopen vijftien jaar veel veranderd. Het lijkt er voor veel mensen bij te horen. Als je nu niet meedoet, val je buiten de vriendengroep en dat is verontrustend. Voor veel kinderen is het een dwang geworden, door de groepsdruk. In de puberteit zijn sommige kinderen daar heel gevoelig voor. Het wordt voor hen moeilijker om een keuze te maken. Ouders zouden voorafgaand aan zitjes of bij vermoedens eigenlijk met meerdere ouders contact moeten zoeken, maar durf je dat en maak je daar tijd voor.”

‘Hij vroeg mij om
goedkeuring als hij
een einde zou maken
aan zijn leven.
Want hij wilde
hier niet meer leven
zoals alles was’

Je kind wantrouwen voelt niet goed. ,,Maar ik zat hem op te wachten, belde hem ’s nachts als hij er nog niet was, ik was misschien extreem daarin. Zat er enorm bovenop. Maar dat had John nodig en bovendien was hij in de nacht spraakzaam. Op andere momenten wilde hij niet over zijn gevoelens praten, bang dat hij mij daarmee belastte. Toen Jan Schilder overleed, had John het heel slecht. Tegelijkertijd kon hij wel goed praten en een luisterend oor bieden aan andere jongeren. Over zijn eigen gevoelens praatte hij dan in de nachtelijke uren met mij en dan kwamen zijn depressieve gevoelens er ook uit.”
,,Tot hij mij op een gegeven moment om goedkeuring vroeg als hij een einde zou maken aan zijn leven. Want hij wilde hier niet meer leven zoals alles was. Hij gaf aan dat hij anders was qua geaardheid, niet op meiden viel. ‘Je bent wie je bent en voor ons blijf je onze John. Er is niks veranderd’, zeiden wij.”
,,Als vrienden of anderen het woord homo gebruikten als scheldwoord of in een zin, voelde dat voor hem als een messteek, hij accepteerde zichzelf niet, wilde hier niet zijn en bouwde een muur om zichzelf. Ik probeerde het om te draaien, om hem wakker te schudden. Zei dat het dan mijn schuld was dat hij ‘niet goed’ op de wereld was gekomen. Ik heb hem tenslotte verwekt. ‘Nee, het is niet jouw schuld’, zei hij dan. ‘Maar ook niet de jouwe’, zei ik dan, in de hoop dat hij zou beseffen dat het niemands schuld was, dat hij mocht zijn wie hij was. Soms mocht ik hem even tegen me aanhouden, maar ik mocht niet te dicht bij komen, want hij was bang dat hij me meer zorgen zou geven. Ik gaf aan dat het mijn hart voorgoed zou verscheuren als hij uit het leven zou stappen. Dan kon ik voor niemand meer zorgen. En ik gaf ook aan dat we samen hulp konden gaan zoeken. Want zijn probleem werd niet opgelost.”
,,We zagen hem wegglijden. Toen hij negentien was, stelden we voor om opnieuw medicatie aan te vragen voor zijn ADHD. Trof hij een Drentse psychiater, die zelf ADHD en depressies had gehad. Door de nieuwe medicatie voelde John zijn hoofd leeg en rustig worden, had hij een goede periode. Maar dat bleef niet stabiel. Ondertussen deelde hij met iets meer mensen dat hij homoseksueel is. Eén iemand verspreidde het verder dan John wilde en hij had er moeite mee als er over gepraat werd door anderen. Hij dacht dat er een last van zich af viel. Maar ondertussen bleek hij al te ver heen met drank en drugs. En als hij dan weer depressief werd, dreigde hij uit het leven te stappen.”

‘Als ik hem er
mee confronteerde,
merkte ik dat hij
er geen gevoel
bij had. Je ziet
je kind veranderen’

,,Hij wilde op zichzelf wonen, kwam hier wel eten. Ik ging regelmatig een kijkje nemen en zag dingen, spulletjes, pilletjes, aanmaningen. Hij loog het zo aan elkaar, dat het geloofwaardig overkwam en een tijd lang trapten we daar in. Ben ik meer steekproeven gaan doen, maar als ik hem er op aansprak, kreeg hij het verhaal gewoon kloppend…”
,,Op een gegeven moment word je harder. Als hij niet op kwam dagen als we met de familie Sinterklaas of Kerst vierden, wist je met z’n allen dat er iets aan de hand was, maar we probeerden het thuis met de anderen toch goed te laten verlopen. Als ik hem er mee confronteerde, merkte ik dat hij er geen gevoel bij had. Je ziet je kind veranderen.”
,,Hij kwam steeds vaker het eten even snel halen, dus mijn moedergevoel zei de hele tijd dat er iets aan de hand was. Die antenne, dat ik op zaterdagavond een raar gevoel in mijn lijf had en dan achteraf bleek dat-ie op dat moment het zelf ook moeilijk had.”
,,Op een gegeven moment wilde ik hem vertellen dat hij niet meer hoefde te komen; bleek dat hij zelf informatie inwon voor een opname in een kliniek. Was het zó erg? Maar na de opname van een maand ging het weer helemaal mis. Opeens verkocht hij alles en ging naar het buitenland. Was van plan de wereld in te trekken. Een prachtig idee, als je clean bent. In Zweden ging het helemaal mis. Toen hij terugkwam vertelde hij niet de werkelijke reden.”
,,Hij stal vervolgens een bankpas van een vriend, pinde geld en toen was voor mij de maat vol. Ik wilde hem er uit zetten, hij mocht zijn spullen komen halen. We werden overal voor uitgescholden. Stond hij ‘s nachts voor de deur, te vragen om geld. Ik gaf hem twintig euro voor eten. Dat zag ik natuurlijk niet meer terug.”
,,Hij mocht alleen nog komen als hij eten wilde of hulp wilde. Dat had hij niet nodig en John gaf ons de schuld dat hij meer was gaan gebruiken. Ik slikte zelf slaappillen, want je kind op straat zetten, dat is het ergste en moeilijkste.”
,,Op onze slaapkamer hing een foto van John. Dan ging ik, met een door hem geschreven brief in mijn hand, met een vinger over zijn wang. Zocht op die manier contact met hem en gaf mee ‘probeer de weg te zoeken naar hulp, John’.”

Ander persoon
,,Af en toe stond hij briesend voor de deur. ‘Jij bent John niet meer, maar een ander persoon’, zei ik. Hij had de duivel in zich. Maar elke keer als ik hem zag of een berichtje kreeg dan had je een week nodig om te herstellen, Op een gegeven moment bouw je een schild om je heen, want het was een ander persoon die ons lastig viel of iets stuurde. Daar probeer je doorheen te kijken, want je kunt je kind gewoon niet meer terug vinden. Uiteindelijk heb ik de politie gebeld, ter bescherming. Hij bedreigde zijn zus, hij bedreigde ons. Ik werd bang.”
,,Ik was al eens over De Stam begonnen, hoorde goede verhalen over die verslavingszorg. Opeens zei John dat hij hulp wilde. Alleen trad er vervolgens enige vertraging op bij de gemeente. En dat brengt het risico met zich mee dat een verslaafde dan alsnog de andere kant op gaat. De directrice van De Stam had hem gelukkig al op de lijst gezet en het was dat ik iemand bij de gemeente kende, zodat er alsnog werk van werd gemaakt.”
De afstand tussen ouders en kind was zo gegroeid dat John zijn moeder niet mee wilde. ,,Niet naar het intakegesprek, niet als contactpersoon en ik mocht hem ook niet wegbrengen toen hij de kliniek in ging. Terwijl ik–ik krijg nu weer een brok in m’n keel–álles voor hem had gedaan. ‘Dat je me dan nu verstoot, dat doet zó zeer’. Uiteindelijk mocht ik hem toch wegbrengen.”
,,Toen hij hoorde dat het hele traject twee jaar zou duren, riep hij ‘denk je dat ik dat ga doen..’. Ik zei ‘al ga je maar drie maanden’. Hij had in het begin klotenperiodes, wilde naar huis. En dat is logisch. Je moet het zelf doen. Zeiden mensen hier tegen mij ‘dan hebben jullie nu eindelijk rust’. Maar ik had geen rust, want hij kon en kan elke dag daar weglopen. Na precies drie maanden kreeg ik een belletje. Van John. ‘Ma, weet je nog dat jij zei ‘al blijf je maar drie maanden…’ Dat is nou, ma’. Ik dacht: oh jee. Nou gaat-ie zeggen dat hij naar huis komt. ‘Maar dan ben je nog niks, ma…’, zei hij. Hij bleef. Er gebeuren daar zulke bijzondere dingen, elke fase is weer anders. Daarom is zo’n traject voor dit soort mensen ontzettend goed. Verslaving is een cirkel die al die tijd niet doorbroken wordt. Met dat je een slok alcohol of een snuif neemt, dan zit je er weer in. Ze hebben echt levenslang.”
Als moeder probeert zij weer iets van levensgeluk te voelen. ,,Elke dag beleven we intens wat er is aan goeds. Zoals de dagen dat ons kleinkind bij ons is. Daar worden we blij van. Dat worden we ook als we John zien. En zien dat hij zichzelf accepteert en sterker wordt. Wetende dat het een lang proces is.”

|Doorsturen

Uw reactie