Algemeen

‘Het is natuurlijk best een eer als je uiteindelijk bij zo’n VOC-replica wordt gevraagd’

Veelzijdige projectcontroller begeleidt scheepsrestauratie

In het dagelijks leven is de Volendammer financiële man bij de Hogeschool van Amsterdam, zijn werkgever geeft hem echter ruimte om zijn passie te volgen: Henk de Boer (52) mag leidinggeven aan het groot onderhoud van VOC-replica ‘De Amsterdam’. Een serieuze interesse voor houten schepen heeft hij al zijn hele leven. Dat uitte zich al in het vele werk dat hij deed voor ‘Vereniging Behoud de Volendammer Botters’. Daarbij leerde hij gaandeweg hoe deze vaartuigen in elkaar zitten en wat bij restauratie belangrijk is. Met als resultaat deze grote, eervolle, klus.
Door Laurens Tol


In een droogdok van een werf nabij het NDSM-terrein staat De Amsterdam, uitkijkend op het IJ. Het is begin van de middag en de zon belicht de achterkant van het schip. Timmergeluiden stijgen op uit de diepte, waar gespecialiseerde lieden onderhoudswerk verrichten. Een mast die doorgaans nabij het Scheepvaartmuseum fier overeind staat op het schip, ligt nu in delen op de grond van de scheepswerf. Te zien is dat wind, water en zonlicht hun werking hebben gehad op het materiaal.
Henk loopt langs de masten die deze week zijn gedemonteerd voor restauratie. Het is een van de redenen waarvoor de VOC-replica naar de werf in Amsterdam-Noord voer. De Volendammer spreekt enthousiast over de taken die het onderhoudsteam de komende tijd te doen staat. ,,Het renoveren van de masten is een onderdeel van het karwei. Een andere grote klus is het opnieuw waterdicht maken van het schip, van het deel dat normaal onder water ligt. Hij was behoorlijk lek. Elke acht minuten sloeg er een pomp aan om het lekwater eruit te pompen. Dat was echt wel heftig dus. De boot is nu dertig jaar oud. In principe gaat hij om de tien jaar ‘in dok’. Zijn dokbeurt was dan ook echt hard nodig”, vertelt Henk.

‘Er zit zo’n
drie tot vierduizend
meter naad in,
waaraan we
moeten werken’

Voor het weer waterdicht maken van De Amsterdam, maakt men gebruik van aloude methodes. Kieren tussen de planken dicht men door te breeuwen. Dat wil zeggen dat men er uitgeplozen touw van hennep tussen drijft. ,,We noemen dat ook wel ‘breeuwsel’. Dit wordt erin geslagen met een breeuwhamer en breeuwbeitel. Daarna wordt daar kit overheen gesmeerd. Het oude breeuwsel van het schip is helemaal nat en vergaan. Dit trekken we er allemaal uit en daarna slaan we er nieuw breeuwsel in. Dat is het getimmer dat je in de verte hoort. Er staan op dit moment twaalf mensen te breeuwen. Dat is veel, maar ook wel nodig. Er zit zo’n drie tot vierduizend meter naad in, waaraan we moeten werken. Deze techniek is al duizenden jaren oud.”
De Amsterdam is een replica van een achttiende-eeuws schip. Dit vaartuig behoorde tot de klasse van grootste schepen die de VOC bezat. Het is een type ‘spiegelretourschip’. De andere VOC-kopie die in Lelystad ligt, is gebaseerd op een ouder model uit de zeventiende eeuw. De huidige replica's gaan aanzienlijk langer mee dan de originele schepen vroeger. Die gingen slechts ongeveer vijftien jaar mee. Dit was zo, omdat er nog geen droogdokken waren om ze te kunnen onderhouden. De stoommachine was nog niet uitgevonden om deze leeg te kunnen pompen. Verder was het in vroeger tijden een stuk minder veilig op zee. Het risico om in een zeeslag te belanden was groot en schepen zonken vaker. Zo sneuvelde het originele schip De Amsterdam al tijdens haar eerste reis. Het kwam niet verder dan de Noordzee, waar het op tragische wijze zonk doordat het in een storm terechtkwam.
Over een week of vier moet het schip waterdicht zijn. Het zal dan gelijk de werf verlaten, want elke dag dat De Amsterdam hier ligt, is kostbaar. De driemaster heeft dan ongeveer twee maanden in het droogdok gelegen. Men laat het schip dan weer te water, maar dat wil niet zeggen dat de restauratie dan al voltooid is. De renovatie van de masten gaat nog wat langer duren. Bij het terugplaatsen hiervan heeft het onderhoudsteam echter geen droogdok nodig. Om het schip weer in het water te krijgen, laat men het dok vollopen. Als het peil op gelijke hoogte is met dat van het IJ, dan kan het schip uitvaren. Henks prognose is dat het onderhoudswerk in januari klaar is. Hij houdt wel een slag om de arm, want: ,,Bij een houten schip weet je van tevoren nooit precies wat je tegenkomt.” Tot nu toe gaat het werk voorspoedig.
Gedurende de hele onderhoudsklus is Henk opzichter. Hij heeft een belangrijke functie die enkele verantwoordelijke taken met zich meebrengt. ,,Ik bekijk samen met het timmerbedrijf naar welke planken moeten worden vervangen. Verder houd ik de voortgang van het werk bij. Ik houd bij hoe we vorderen met het breeuwen van de naden, het timmerwerk, het kitwerk. Er moeten veel dingen worden afgestemd en we moeten tussentijdse beslissingen nemen. Bijvoorbeeld: hoeveel hout moeten we inkopen en welke soort. Zo gaat dat met veel materialen. Soms hebben we daarnaast hulpmiddelen nodig, zoals een extra hoge kraan voor de masten. En we hebben natuurlijk te maken met de coronamaatregelen en de naleving daarvan. Dat zijn allemaal kleine, maar wel belangrijke dingen die geregeld moeten worden.”

‘Ik kan met de
werkmannen hier
ook goed praten,
zonder dat ze denken:
‘Daar heb je
die boekhouder weer!’’

Henk kreeg deze opdracht van het bedrijf ‘BVS’ (Bureau voor Scheepsbouw) uit Bloemendaal. Vijf jaar geleden kwam deze onderneming de Volendammer op het oog. Hij begeleidde toen voor het eerst een project op De Amsterdam. Afgelopen zomer kwam BVS bij hem terug voor zijn huidige, omvangrijke klus. Dat het Bloemendaalse bedrijf hiervoor bij Henk terechtkwam, is niet voor niks. ,,In 1993 begon ik met een paar Volendammers te werken aan de restauratie van een botter, de ‘Garnkwak’. Op die manier rolde ik in de ‘houten boten-wereld’. Daarna werkte ik aan in totaal vier van dezelfde botters. Ik bemoeide mij toen al veel met het onderhoud- en timmerwerk. Het is natuurlijk best wel een eer als je dan uiteindelijk bij zo’n VOC-replica wordt gevraagd.”
Met zijn huidige opdracht is Henk zo’n achttien uur per week bezig. Zijn aanstelling is des te meer bijzonder, omdat hij van oorsprong niet uit de maritieme wereld komt. De interesse voor met name houten schepen werd bij de Volendammer gewekt, doordat zijn vader ermee op de Noordzee voer als visserman. In zijn jeugd ging Henk vaak met hem mee varen. Hij leerde veel over het onderwerp door zelfstudie uit boeken. Een officiële opleiding volgde de Volendammer eveneens. Een in een richting die niet direct een connectie met handvaardigheid doet vermoeden.
,,Ik studeerde ooit ‘bedrijfseconomie’. Met mijn ‘normale’ baan zit ik daarom in een heel andere sector. Ik ben projectcontroller bij de Hogeschool van Amsterdam. Dit is een fulltime financiële functie, waarbij ik wel ook te maken heb met bouwprojecten. Vanaf maart zit ik daarbij al in een ‘thuiswerksituatie’. Daarom was deze opdracht wel welkom. Ik trof een regeling met mijn werkgever. Tot december werk ik een aantal uren minder voor mijn vaste baan, zodat ik hier op de werf aan de gang kan. In goede harmonie is dit geregeld. De Hogeschool wilde mij deze kans gunnen. Ze weten dat ik naast mijn baan een passie voor houten schepen heb. Het is erg fijn dat ze mij deze ruimte geven.”
Een professionele achtergrond in de financiële sector en een verantwoordelijke taak bij een scheepsrestauratie, ze gaan bij Henk prima samen. De goed opgeleide technici die met hem werken, nemen hem zeker serieus als leidinggevende. ,,Van jongs af aan kom ik al op kotters. Daarop heb je veel te maken met techniek. Ik heb daar dus redelijk veel affiniteit mee. Daarom kan ik met de werkmannen hier ook goed praten. Zonder dat ze denken: ‘Daar heb je die boekhouder weer!’. Het is mooi om dit mee te mogen maken. Als De Amsterdam straks weer goed en wel bij het Scheepvaartmuseum ligt, dan denk ik dat ik daar toch met enige trots naar kijk.”

 

|Doorsturen

Uw reactie