Algemeen

Wilde haren, gouden jaren:

André Dekker: Bewaker van de fijne lijn tussen rigoureus repeteren en ongedwongen ouwehoeren

,,Bij ons zat je in de muziek als je geboren werd”, reageert André ‘Dekker’ Veerman (65) lachend op de vraag waar het voor hem allemaal begon. ,,Mijn vader was leider van het korps en al mijn oudere broers maakten muziek, dan ontkom je er niet aan.” De jongste Dekker-telg begon als bassist in onder meer Next One en de Dekkerband, maar schoolde zichzelf uiteindelijk om tot toetsenist en soundtovenaar van bands als Stampvast, the Tribute to the Cats Bands en Trammeland. Zijn muzikale loopbaan leidde hem langs diepe dalen en grote hoogten, en nu hij terugblikt, concludeert André dat hij het niet anders had willen doen. ,,Enerzijds maak je bijzonder mooie dingen mee en anderzijds krijg je onvermijdelijk ook te maken met de negatieve kant van musiceren, maar uiteindelijk is het me allemaal om dat half uurtje na de repetitie te doen geweest. Dat is waar het voor mij allemaal om gaat en dat is waarom ik het al vijftig jaar uithoud in de muziek. Een half uurtje mallepraat verkopen met een flesje bier op tafel. Het half uurtje dat vaker wel dan niet uitdraait op tranen over je wangen van het lachen. Dat is toch goud waard?”
Door Kevin Mooijer


,,Andere jongens gaan op voetbal, maar Dekkers maken muziek”, dat was zo ongeveer ons motto. ,,Ik groeide op als het jongste kind in een gezin met dertien kinderen. Mijn vader was dirigent van de fanfare, mijn broer Cor speelde in Left Side, Alles en George Baker Selection, mijn broer Jack speelde in Alles, Progress en later BZN, al mijn andere broers bespeelden instrumenten, in iedere kamer stond een gitaar en muzikaal Volendam was kind aan huis bij ons. Er was dus geen ontkomen aan”, blikt André terug op zijn jeugd.
,,Ik besloot basgitaar te gaan spelen en leerde de basisprincipes van broer Cor. Niet veel later stond ik als lid van Next One samen onder meer Piet Schilder (Vik) en Jan Mühren in de Kattekop te spelen. En weer niet veel later werden we door het hele land geboekt. Het kan snel gaan.”

Next One
,,Wij waren nog kinderen – een jaar of vijftien waren we – en hadden nog geen rijbewijs en bovendien geen geld. Om op te kunnen treden moesten we aan geld voor een installatie en aan een chauffeur zien te komen. De vader van drummer Ab Schilder – Hein van Madoet ‘the Sir’ – leende ons het geld dat we nodig hadden, Abs broer Siem werd onze chauffeur en zijn andere broer, Hein junior, werd onze manager. Jonge Hein vulde zijn rol als manager met verve in. Wij zagen hem als verlengstuk van onze professionaliteit, maar Hein zal zichzelf destijds waarschijnlijk meer een oppas hebben gevoeld wanneer hij omringd door vijftienjarigen naar Steenwijkerwold reed.”
En van het pittoreske Steenwijkerwold schopten de jongens van Next One het tot het voorprogramma van het afscheidsconcert van the Cats. ,,We werden bij the Cats betrokken toen Cees Poesie stemproblemen kreeg. Ons repertoire zat in hetzelfde sfeertje en er vielen liedjes van Cees weg bij the Cats. Zo kwamen ze bij ons uit. Wij kwamen als vijftienjarige knaapjes in theaters te spelen om het voorprogramma van de grote Cats te verzorgen.”
Ondanks het wederzijdse respect liet Cats-drummer Theo ‘Schuim’ de kans niet onbenut om zijn jonge collega’s zo nu en dan in de maling te nemen. ,,Schuim stelde ons repertoire op voor een optreden. En als we dan eenmaal stonden te spelen beseften we gelijk dat hij ons weer eens in de maling had genomen. De mensen in het publiek hadden net hun eten op en wij staken van wal – op verzoek van Schuim – met een hardrockplaat van Slade. Maar goed, op die leeftijd trap je overal in.”
,,Pas nadat the Cats stopten, begon het echt goed te lopen voor Next One”, herinnert de Volendammer zich. ,,Wij sprongen in het gat dat zij achterlieten wat betreft optredens door het hele land. Dat heb ik volgehouden tot ik opstapte in 1976.”

‘Ik stapte ’s morgens
vroeg de bandbus uit
en kwam oog in oog
te staan met mijn vader,
die net zijn
bouwbusje instapte’

André werkte destijds al fulltime als timmerman en wisselde zijn muzikale bijbaan in voor een weekendbaan als barkeeper in ’t Gat van Nederland. ,,Ik werkte doordeweeks als timmerman voor mijn vader en in het weekend werkte ik in de kroeg van mijn broer Bep. Als je voor mijn vader werkte was het zo dat je wel ziek kon zijn, maar alleen tot zes uur ’s ochtends. Dan kon hij wel weer.” André neemt een korte pauze en lacht: ,,Ik weet nog dat ik met Next One op een zondagavond in Coevorden had gespeeld. Het werd zo laat dat ik maandagochtend vroeg pas thuiskwam. Ik stapte de bandbus uit en kwam oog in oog te staan met mijn vader, die net zijn bouwbusje instapte: ‘Jezus, precies op tijd!’, zei hij. Zo kon ik van de ene bus de andere in.”

De Dekkerband
,,De Dekkerband begon eigenlijk als een geintje. Mijn broer Klaas speelde trompet en had een duo gevormd met drummer Jaap Sombroek ‘Lood’. Ze noemden het een band”, grinnikt André. ,,Kistje bier erbij. Ik snap het wel. Enfin, ik vroeg of ik er als bassist ook bij mocht en dat was helemaal goed. Jan Keizer en Theo van Scherpenseel sloten zich ook nog aan als toetsenist en zanger en zo werden we de KeiSomDrumDekkerband.”
,,Ik herinner me het laatste optreden van Jan Keizer nog als de dag van gisteren. Hij had een Spaans liedje ingestudeerd op zijn accordeon. Het was een prachtig, ingetogen liedje. En tijdens dat laatste optreden was de sfeer bepaald niet ingetogen. We zaten voorafgaand aan het optreden in de kleedkamer – waar je via een luikje naartoe moest klimmen – en Theo en ik hadden al een beetje sfeer geproefd in de zaal. Eenmaal teruggekomen in de kleedkamer ging het luikje opeens open. Jan Keizers hoofd kwam tevoorschijn. Theo zei direct: ‘eh, Jan, dat Spaanse liedje wordt niks vandaag.’ Jan reageerde: ‘dat is goed. Dan ben ik vandaag voor het laatst.’ Ik vond het een wonder dat hij niet direct opstapte. Prachtig, dat principiële.”
Met het wegvallen van toetsenist Jan Keizer besloot Cor Dekker die taken op zich te nemen. Verder kwam Jack Jozef er nog bij en de naam werd omgedoopt tot de Dekkerband. ,,In die tijd was het zo dat de kermishit altijd meegenomen werd uit Spanje vandaan. Volendammers die tijdens de bouwvak massaal naar Spanje gingen, kwamen vaak terug met gezellige liedjes die ze daar hadden gehoord. Alleen dat jaar was het schaars. Een paar weken voor de kermis zat ik met al mijn broers bij mijn moeder thuis. ‘Nou zullen we toch even geen kermishit hebben dit jaar’, zei Bep.” De Dekkers lieten deze kleine ramp even bezinken, tot broer Cor met een geniale ingeving kwam: ‘Dan maken we toch zelf een kermishit!’

‘We hadden natuurlijk
nooit verwacht dat
het Volendammer volkslied
zóveel zou doen’

,,De volgende ochtend belde Cor of ik even naar de studio van Arnold Mühren wilde komen. Hij had een tekst gemaakt op een Scandinavisch liedje dat uiteindelijk ‘Lilly van Putte’ zou gaan heten. Nadat we het liedje opgenomen hadden, zei Henk Mühren – de producer destijds – ‘top, jongens, en wat wordt de B-kant?’ Die hadden we dus niet. Maar gelukkig had Cor nog wel een idee: ‘ik heb ooit nog eens een volkslied opgenomen met een bandje uit het oosten van het land. Daar maak ik wel een Volendammer tekst op.”
Het B-kantje van ‘Lilly van Putte’ groeide uit tot een volkslied dat veertig jaar later nog altijd van begin tot eind wordt mee geschald door heel Volendam op die vier bijzondere dagen. ,,Wij hadden natuurlijk nooit verwacht dat het zóveel zou doen. We hadden geen budget, dus werden er in plaats van lp’s cassettebandjes van gemaakt. Ik weet niet hoeveel we er hebben laten maken, maar ik weet wel dat het er een hoop waren en dat ze niet aan te slepen waren. Mijn broer Cor kreeg als geintje van Arnold Mühren nog een ingelijste gouden cassette. Die heeft Cor tot op de dag van vandaag nog in zijn studio hangen.”
Helaas viel de Dekkerband alweer vroeg uit elkaar. ,,In 1983 stopten we geloof ik alweer. We gingen allemaal weer onze eigen weg. Ikzelf kwam in een hardrockband, genaamd Powerline, terecht.”
Samen met Jack Punt, Simon Kemper, Wil Vik en Jan Dekker zette André de lokale cafés ondersteboven. ,,We deden geen grote dingen en speelden niet veel. Eigenlijk traden we vooral in kroegen op. In de Wir War speelden we een keer voor drank. We begonnen met een biertje, daarna tijdens het spelen dronken we er nog een paar en vervolgens na afloop gingen we zelf aan de bar zitten. Aan het einde van de avond kwam Jan Dekker naar ons toe: ‘jongens, ik krijg nog tweehonderd gulden van jullie.’ We hadden zoveel gedronken dat het optreden ons uiteindelijk geld had gekost!”

Stampvast
De volgende muzikale halte bracht André in het feestcircuit. ,,Ik stelde aan Klaas Tuip ‘Kap’ voor om een bruiloftbandje te beginnen. Dat was niet aan dovemansoren gericht. Klaas kwam net uit Canyon en was wel weer in voor een nieuw avontuur. Het enige probleem was dat ik destijds nog bassist was, maar we juist een toetsenist nodig hadden. Een toetsenist zouden we niet gaan vinden, aldus Klaas. Dus moest ik dat maar gaan leren.”
Na het aanschaffen van een synthesizer bracht André de daaropvolgende weken op zolder door. ,,Ik heb één les gehad van Rob Mostert om te vragen hoe alle toetsen heten. Vervolgens heb ik dagelijks na mijn werk acht uur per dag geoefend. Het eerste optreden stond namelijk al geboekt.”
De rest van Stampvast zou bestaan uit bassist Ton Keizer en gitarist en zanger Kees Schien Plat. ,,We zouden Kees alleen nog even los moeten weken uit zijn toenmalige band Friends. Losweken, zo noemde Klaas dat. Ton had eerder met Kees samengespeeld, dus hij was de aangewezen man om Kees te benaderen. Het losweken van Kees bleek geen moeilijke opgave: ‘ja is goed. Ik wil ook wel eens biefstuk na het spelen’, zei hij. Kees wist nog niet eens wat precies het plan was, maar hij ging wel alvast akkoord.”
,,We kwamen in contact met een boekingskantoor dat een hoop optredens voor ons regelde. Binnen een half jaar waren we beroepsmuzikant. Het was niet meer te combineren met het werk dat we doordeweeks allemaal nog deden. Op een gegeven moment hadden we een tourtje van negentien dagen optreden achter elkaar. Daarnaast stonden we vier of vijf dagen achter elkaar op zo’n beetje iedere kermis in Noord-Holland te spelen en hadden we denk ik iedere bruiloft in Volendam in die tijd. Dat was dan de drukke periode. In de zomer verdiende je wel, maar in de winter had je niks. Aan het einde van ieder jaar stond de rekening weer op nul omdat het loon van ons vieren natuurlijk gewoon doorging. Na zeven jaar vond ik het mooi geweest met die levensstijl.”

‘Als je nou denkt
dat je wat bent,
dan gooien ze wel
een ondergepiste
beer in je bek’

In 1997 besloot de Dekker-telg met Stampvast te stoppen, maar voordat hij het volgende avontuur aansnijdt roept hij nog één leuke anekdote op over zijn tijd in de band. ,,We speelden op de Gooi-en-Smijt-Middag in Uitgeest. Dat was een kermisdag daar, als ik het me goed herinner. Wij dachten een normaal kermisoptreden te kunnen doen, zoals we dat altijd gewend waren geweest. Maar toen we klaar stonden op het podium en we werden aangekondigd, zei de spreekstalmeester: ‘Het is eindelijk weer zover! Het jaarlijkse Gooi en Smijt Festijn! Ik tel af en dan gaan we ervoor!’ En als hij klaar was met aftellen moesten wij het eerste nummer inzetten. ‘3… 2…. 1… Ja!’ Wat er toen gebeurde heb je nog nooit meegemaakt. Iedereen gooide zijn bier de lucht in, er werden zakken met poffertjesmeel door de zaal gesmeten, álles kwam onder de troep te zitten. In de verte zagen we een gigantische knuffelbeer die ze op de kermis gewonnen hadden door de zaal gaan. Hij vloog steeds over het volk heen. Op dat moment denk je daar nog niet zoveel van, maar toen kwam het moment waarop hij een paar minuten nergens te bekennen was. Stonden ze met een stuk of veertig boeren over die beer heen te pissen. We zagen hem weer boven het publiek uit rijzen en een tel later vloog hij recht op ons af. Op datzelfde moment bukte Ton toevallig om zijn gevallen plectrum van de grond te rapen. De beer vloog rakelings over zijn hoofd en raakte vervolgens onze installatie.” André sluit zijn anekdote af met een wijze les: ,,Dus, als je nou denkt dat je wat bent, dan gooien ze wel een ondergepiste beer in je bek.”
Na het opstappen bij Stampvast was André voor zijn gevoel voorlopig even klaar met de muziek en ging bij HSB aan de slag. ,,Voordat ik het wist zat ik toch weer in een band. De jongens van ’t Gat in de Markt Band vroegen of ik af en toe een seizoen wilde meedraaien. Omdat ik zelf bepaalde wanneer ik wel of niet mee zou spelen, vond ik het wel een mooie deal. Ik had namelijk nog geen zin in een vaste band.”
,,Onder diezelfde voorwaarden kwam ik als toetsenist bij Ad Fundum. De kermis kwam eraan en ze hadden geen toetsenist. Ik besloot ze uit de brand te helpen, onder de voorwaarde dat het eenmalig was.” De kermis brak aan en André kreeg een telefoontje van toenmalig drummer Kees Tol: ‘Hey André, vanmiddag om vier uur voorzitten bij mij.’ ,,Ik vroeg of dat niet een beetje vroeg was, als we pas om tien uur ’s avonds moesten spelen, maar voorzitten was iets wat ze altijd deden, verzekerde Kees me. Die voorzitjes voor optredens liepen vaak zo uit de hand dat het soms zelfs op een vechtpartij uitliep! Ik heb dus maar even gemaakt dat er die kermis geen voorzitjes plaatsvonden voor een optreden.”

Trammeland
Joop Bouwman werkte aan de oprichting van een nieuwe feestband en André werd één van de eerste mensen die hij benaderde. ,,Tijdens die periode heb ik één van mijn mooiste momenten als muzikant meegemaakt”, doelt hij op het jaar 2009. ,,We hadden onze nieuwe kermisplaat ‘Omdat ie zo Mooi is’ opgenomen en dat nummer sloeg nogal aan. Dat jaar waren we the Beatles op Volendam”, lacht André. ,,Na de mannenochtend van kermis bleven ze dat refrein maar zingen. Wij zaten al lang aan een biertje in de kleedkamer, maar uit de zaal hoorde je zonder te stoppen: ‘Omdat ie zo moooooi is, moooooi is!’ De volgende tekstregel konden ze dat eerste jaar om de één of andere reden nog niet meezingen. Toen we eenmaal bijgekomen waren, liepen we via ’t Gat richting de Kermistent, waar we verwacht werden voor het volgende optreden van de dag. Op het moment dat we de deuren van de Jozef uitliepen hoorden we het al. Onze kermisplaat werd verderop nog steeds luidkeels gezongen. We liepen langs ’t Gat, de Vrijheid, de Dijk, de Molen, en overal kregen we een staande ovatie van het publiek dat die ochtend ons optreden had bijgewoond. Dat vonden we zo’n mooi gebaar. Zoiets vergeet je nooit meer.”
,,Wij deden het puur voor de lol, maar het volk kon er geen genoeg van krijgen. Later datzelfde jaar hebben we nog drie dagen achter elkaar met Trammeland & Jan Smit in Rosso in de Jozef gestaan. Heel Volendam was dat weekend roodgekleurd. Wat we dat jaar neer hebben gezet was naar mijn mening ongeëvenaard voor een hobbyband. Ik weet nog dat mijn broer Jack – voormalig drummer van BZN – tijdens dat weekend voor het eerst kwam kijken. De volgende ochtend sprak ik hem en zei hij: ‘Ik wist helemaal niet dat jullie zo goed waren.’ Feestmuziek wordt nog altijd onderschat. Het duurde daarom lang voordat we op de waardering van medemuzikanten konden rekenen, maar uiteindelijk hebben ze dat dubbel en dwars ingehaald. Ons imago veranderde dusdanig dat iedereen van het ene op het andere moment juist met ons samen wilde werken. Het is leuk dat het zo gaan kan.”

‘Ons imago van
feestband veranderde
dusdanig dat iedereen
van het ene op het
andere moment juist
met ons samen
wilde werken’

Zijn carrière als toetsenist kwam helaas aan een einde vanwege een vorm van reuma. ,,Mijn vingers deden niet meer wat ik wilde. Ik kon niet meer spelen.” André zucht: ,,En om dat aan jezelf toe te geven, dat is nog wel een dingetje. Gelukkig ontdekte ik dat bassen me wel nog goed afging. Dus heb ik mijn keyboards ingeruild voor een basgitaar, waardoor de cirkel weer rond is.”
Eind vorig jaar is André noodgedwongen met vervroegd pensioen gegaan. ,,De combinatie van een zwak hart met het coronavirus heeft me een flinke opdonder gegeven. Ik kreeg zoveel last van de nasleep van het virus, dat ik niet meer kon werken. Ik was graag nog langer doorgegaan – ik was voor mijn gevoel nog niet klaar en had het nog naar mijn zin – maar helaas was dat me niet gegund.”
,,Nu bevind ik me in een revalidatieproces waarin ik kleine stapjes in de juiste richting zet. Samen met een specialist train ik voorzichtig om mijn spieren weer een beetje op gang te krijgen. Als dat allemaal goed gaat en het mag straks weer, dan zou het dus zomaar zo kunnen zijn dat ik later dit jaar, op zaterdag 18 december, weer op het podium sta met de Veermannenband.”
In de repetitieruimte regeert André met ijzeren vuist, maar als de muziek eenmaal gespeeld is, dán wordt het gezellig. ,,Ik heb in Next One, Powerline, Stampvast, Los Vast, de Dekkerband, de Tribute to the Cats Band, ’t Gat in de Markt Band, Ad Fundum, Trammeland en de Veermannenband gespeeld”, somt André op. ,,En ik heb deel mogen uitmaken van de meest indrukwekkende optredens, de gezelligste avonden, de mooiste liedjes en de leukste verhalen, maar uiteindelijk is het me allemaal te doen geweest om dat half uurtje na de repetitie. Dat biertje toe. Dát maakt repeteren voor mij mooier dan optreden. Mallepraat verkopen tot de tranen over je wangen lopen van het lachen. Ik ben dat enorm gaan missen de afgelopen tijd…” Maar de door de wol geverfde bandleider laat zich niet zomaar uit het veld slaan. ,,Ik ben ervan overtuigd dat ik het weer ga meemaken. Terugkijkend kan ik zeggen dat ik een prachtige carrière in de muziek heb gehad, maar ik ben nog niet klaar. Zolang mijn lichaam het uithoudt, blijf ik muziek maken.”

|Doorsturen

Uw reactie