Algemeen

Wilde haren, gouden jaren:

Arnold Mühren: grootmeester op het podium, met de pen en achter de knoppen

,,Ik wilde dolgraag een gitaar voor Sinterklaas, maar het budget dat mijn ouders hadden, was meer toereikend voor een blokfluit”, lacht Arnold Mühren (77), terwijl hij terugdenkt aan zijn jeugd. ,,Ik was elf jaar oud en wist onderhand natuurlijk hoe het zat met Sinterklaas, dus mocht ik zelf met m’n moeder mee om een cadeautje uit te zoeken bij de muziekwinkel in de Zeestraat. Ik was niet weg te slaan bij de gitaren. Stiekem raakte ik ze voorzichtig aan, maar helaas, meer dan een blokfluit zat er echt niet in.” Arnolds moeder rekende af en ze trokken de deur achter zich dicht. ,,Ik heb vol van verdriet achterom gekeken tot de winkel compleet uit het zicht verdwenen was. Een blokfluit. Ik vond het verschrikkelijk.” Ondanks de valse start wat betreft zijn eerste instrument, wist Arnold het toch te maken in de muziek. Hij zou uitgroeien tot bassist van the Cats, schreef als componist en tekstdichter talloze succesvolle nummers voor zijn band, kwam wereldwijd in de hitlijsten te staan, bouwde een weergaloze studio op die uit zou groeien tot een ware hitfabriek en heeft onderhand de status van Volendams cultureel erfgoed wel verdiend. De grootmeester vertelt.
Door Kevin Mooijer


,,Eind jaren 50 begon ik de eerste verschijnselen van de rock ’n roll op te merken”, herinnert de Volendammer zich. ,,Ik raakte verslaafd aan de muziek en zou linksom of rechtsom zelf ook gitaar gaan spelen. Voor Sinterklaas – een jaar na het blokfluit-debacle – kreeg ik dan eindelijk een klassieke gitaar cadeau. Vanaf dat moment zat ik dagelijks heel trots mijn eerste akkoordjes op de stoep, voor de deur van mijn ouderlijk huis, te spelen.” Drie jaar en veel uurtjes oefenen later, gaf Arnold zijn eerste optreden. ,,Ik was vijftien en had inmiddels een duo gevormd met Cees Veerman ‘Poes’. Ons allereerste optreden gaven we op de MULO-zolder, maar we hebben ook wel eens op het Europaplein gespeeld. Als ik het me goed herinner, was dat ter ere van Bevrijdingsdag. Dat optreden deden we samen met the Spoetnik Boys. Zij hadden destijds zo’n authentieke theekistbas met één snaar. Prachtig.”
,,Cees Poes en ik waren redelijk ambitieus. Zo hadden we al gauw plannen om onze formatie uit te breiden. We wisten dat Jaap Schilder ‘de Koster’ met zijn neef Piet Veerman ook een duo vormde en waren gecharmeerd van Jaaps stem. We benaderden Jaap met de vraag of hij interesse had om bij ons te komen spelen. Hij zei: ‘ik wil wel, maar alleen als mijn neef Piet ook mag.’ Dat vonden wij wel prima, niet wetende dat Piet uit zou groeien tot een wereldzanger.”
Maar los van zijn fabelachtige stem bleek Piet over nóg een groot voordeel te beschikken. ,,Piet was enig kind en had zijn eigen slaapkamer – een eigen slaapkamer was buitengewone luxe in die tijd – en op die slaapkamer mochten wij repeteren. Zo werd de bovenverdieping van Piets ouderlijk huis in de Zwaardstraat onze repetitieruimte. Daar werd de basis gelegd voor onze samenzang.”

‘Zo werd de
bovenverdieping van
Piets ouderlijk huis
in de Zwaardstraat
onze repetitieruimte.
Daar werd de basis
gelegd voor onze samenzang’

Ambitieus als hij was, richtte Arnold zich in zijn tienerjaren op het bemachtigen van een elektrische gitaar. ,,Er woonde een Indische jongen in Volendam die zijn gitaar verkocht. Ik was er als de kippen bij om hem over te nemen. Er zat wel een element op de gitaar, maar volume- of toonknoppen had hij niet. Ik monteerde een snoer met een platte stekker aan dat element, dat dan net als een pick-up op een radio aangesloten kon worden. De signaalkant van de stekker had ik rood geverfd.”
Arnold nam zijn gitaar mee naar een talentenjacht in de AMVO en verblufte daarmee iedereen op zijn pad. ,,Vooral Kees van Gerrit – de manager van de zaal – was onder de indruk. ‘Is dit nou zo’n elektrische gitaar?’, vroeg hij, terwijl hij het snoer pakte en naar het dichtstbijzijnde stopcontact liep. Ik had de gitaar om mijn nek en zag Kees naar het stopcontact bukken met de stekker. Ik riep: ‘Ho! Ho! Stop!’ Ik kon hem nog net op tijd stoppen”, lacht Arnold. ,,Dat was de kennis van zaken in die tijd.”
Alsof het vanzelfsprekend is, verklaart Arnold: ,,Ik had een elektrische gitaar, dus ik werd bassist. Op een akoestische gitaar kon je niet bassen. Op een elektrische ging dat een stuk beter. Ik werd dus tot bassist gebombardeerd.” Uitgaande van deze logica zou dus net zo goed Cees, Jaap of Piet bassist van the Cats zijn geworden. Arnold grinnikt: ,,Dat zou zomaar kunnen. Maar ik was altijd degene die met elektra bezig was, dus het lag wel voor de hand dat ik de eerste zou zijn met een elektrisch instrument.” Het kwartet, bestaande uit twee gefuseerde duo’s, noemde zichzelf the Mystic Four. ,,We traden vooral op tijdens talentenjachten en in de dansschool, maar ons grote doel was om betaalde dansavonden te spelen. Dan was je pas een echte band.”
Ondanks dat Arnolds passie voor de muziek veel vrije tijd kostte, werkte de leergierige muzikant mee aan het experiment van zijn oom, schoolhoofd meester Kester, om in de normale vierjarige MULO-opleiding met bijlessen op te gaan voor het MULO-B examen. Van de vier kandidaten haalde hij als enige - met de hakken over de sloot - zijn B-diploma, waarna hij – via een gefaald uitstapje aan de HTS – een poging deed om op de Zeevaartschool in Amsterdam geaccepteerd te worden.
,,In eerste instantie wilde ik graag piloot worden, maar vanwege mijn slechte ogen viel dat gelijk af. Ik ging dus op zoek naar een alternatief. Zolang er verre reizen en techniek bij kwam kijken, vond ik het goed. Ik mocht, vergezeld door mijn vader, op gesprek komen bij de directeur van de Zeevaartschool en ook daar bleek mijn bril me parten te spelen. Pas veel later ontdekte ik dat er een klein complotje was geweest”, lacht Arnold. ,,De directeur was onder de indruk van mijn schoolcijfers, we hadden een positief gesprek en alles leek de goede kant op te gaan. Tot het moment waarop hij om mijn bril vroeg. ‘Deze glazen zijn wel héél sterk. Dit wordt niks’, zei hij. Veel later hoorde ik dat mijn moeder – nadat ze nachtmerries had gehad van mijn potentiële zeevaart avonturen – had gebeld met de directeur dat hij maar even wat zou moeten vinden om me af te wijzen!”

Jan Tuf
Jaap de Kosters zwager Jan Tuf werd de manager van the Cats. ,,In eerste instantie ontstond dat omdat hij een rijbewijs had en ons naar optredens kon rijden, maar al gauw werd Jan onmisbaar. Hij regelde werkelijk alles en hij leende ons zelfs geld om spullen voor de band aan te schaffen. Dus die talentenjachten waren wel leuk en spannend, maar met applaus en een mooie oorkonde konden we de schuld aan Jan Tuf niet terugbetalen. We besloten dus op zoek te gaan naar een drummer, zodat we de felbegeerde dansavonden konden spelen. Daar kon je ten minste een paar centen verdienen.”
Drummer Cees Mooijer ‘Pluk’ sloot zich bij de band aan en dat ging gepaard met een naamsverandering. ,,The Mystic Four werd The Blue Cats, naar de familie-bijnaam van zanger Cees Poes. In die samenstelling hebben we als beginnende band vooral ervaring opgedaan door onder andere als begeleidingsband op te treden voor toenmalige hit-zangeressen Trea Dobs, Imca Marina en Anneke Grönloh. Die optredens werden door het comité om geld in te zamelen voor ‘het uitje van ouden van dagen’ georganiseerd. Wij studeerden de nummers in die de zangeressen zouden gaan zingen en op de middag van het optreden deden we examen met de betreffende zangeres. We speelden dan over onze eigen installatie die ik praktisch zelf had gebouwd. We werden goedgekeurd en ook onze eigen installatie kreeg de voorkeur. Vooral dat laatste streelde mijn ego.”
,,Al na een tijdje gaf drummer Cees aan met de band te willen stoppen. Jan Tuf kende via zijn werk gelukkig nog ene Schuimpie. Hij zou de nieuwe drummer worden en ook deze wisseling ging gepaard met een naamsverandering. We haalden het woordje ‘Blue’ van de bandnaam af, simpelweg om te voorkomen dat het publiek zou verwachten dat het podium voortaan in blauwe pakken zouden betreden.”
Met de toevoeging van Theo Klouwer ‘Schuim’ en een nieuwe, pakkende bandnaam – the Cats – had het vijftal de definitieve vorm gekregen. ,,Jan Tuf ging direct aan de slag. Om optredens te boeken ging hij na zijn werk met een op repetities opgenomen bandje langs zaalhouders in Noord-Holland. Hij reed zover als zijn brommer hem kon brengen. En dat ging hem goed af. Maar onze ambities reikten verder dan alleen optredens. Wij wilden een eigen plaat opnemen. Dan telde je pas echt mee.”
The Cats schreven zich in voor een talentenjacht die door Veronica werd georganiseerd. ,,Het was geen wedstrijd. Het ging juist om het ontdekken van nieuw talent, en een platencontract behoorde tot de mogelijkheden. We werden in een soort verenigingsgebouwtje in Blaricum verwacht, waar later de befaamde Soundpush Studio zou worden gevestigd. Jan van Veen, een van de Veronica’s top-dj’s, en twee heren van platenmaatschappij Durlaphone luisterden naar een paar nummers die wij op ons repertoire hadden staan. Niet lang daarna kregen we een platencontract voorgeschoteld en zijn we gedurende een aantal opnamesessies in de Durlaphone studio geweest om een zestal nummers op te nemen.”

‘Ondanks dat ‘Jukebox’
voor ons sensationeel was,
merkten we ook gelijk
dat onze plaat niet
dezelfde kwaliteit
had als die van
concurrenten als
Elvis Presley,
om er maar één te noemen’

,,De studio was gevestigd in het achterste gedeelte van een grachtenpand op de Amsterdamse wallen. De ruimte was klein. Met ons vijven pasten we met onze instrumenten nauwelijks in de opnameruimte. De controlekamer - met piepkleine mengtafel, twee mono recorders en één luidspreker - was zó klein dat er niet meer dan twee man achter de mengtafel en recorders konden staan. Misschien zou staand met z’n drieën lukken, maar zitten kon je er niet. We begonnen met het opnemen van de instrumenten op de eerste recorder. Vervolgens werd deze opname afgespeeld naar de tweede recorder, waarbij tegelijkertijd de zang werd opgenomen. Dat kunstje kon je hooguit nog één keer in omgekeerde richting herhalen om eventueel een solo toe te voegen en het koortje te dubbelen.”
Eén van de zes opgenomen liedjes werd de eerste Cats-single ‘Jukebox’. ,,Dat nummer kwam letterlijk in alle Volendammer jukeboxen terecht. Ondanks het feit dat dit gegeven voor ons sensationeel was, merkten we ook gelijk dat onze plaat niet dezelfde kwaliteit had als die van concurrenten als Elvis Presley, om er maar één te noemen. De liedjes uit het buitenland knalden namelijk allemaal hard uit de speakers van de jukeboxen, maar ons liedje klonk stukken zachter. Hetzelfde ondervonden we met de daaropvolgende twee singles.” Arnold besloot aan de bel te trekken bij de studio. ,,Dat werd natuurlijk afgedaan met een mooi praatje, maar om een lang verhaal kort te maken ontdekte ik dat ze geen compressor/limiter hadden. Onze studio had dus niet de mogelijkheid om de dynamiek van platen in elkaar te persen en het geheel harder te laten klinken. Met als achterliggende gedachte de ambitie om aan te kunnen haken bij de concurrentie, besloten we op zoek te gaan naar een nieuwe studio.”
Manager Jan Tuf ging langs de platenwinkel van Jan Cas om adressen van een paar grote platenmaatschappijen in Nederland op te vragen. ,,Veel van die labels hadden steeds hetzelfde adres maar Jan schreef ze voor de zekerheid allemaal. Hij had een heel goed bandje dat auditie wilde doen, schreef hij”, lacht Arnold. ,,Die mensen van die platenmaatschappijen zullen gedacht hebben dat Jan niet helemaal doorhad hoe het werkte, maar Jan zou Jan niet zijn als hij het niet evengoed voor elkaar kreeg. Platenmaatschappij Bovema hapte toe en nodigde ons uit om op een dinsdagavond auditie te komen doen.”
De dinsdag brak aan, the Cats deden auditie en werden aangenomen. ,,We mochten eindelijk in een échte studio onze kunsten vertonen. Bij binnenkomst keken we onze ogen uit. Ik stond als jongetje in een snoepwinkel te kijken naar de apparatuur. De studio was een kopie van de Abbey Road Studio waar the Beatles hun muziek opnamen. Zij namen hun liedjes op dezelfde apparatuur op als waar wij nu gebruik van zouden gaan maken. Aan de materialen zou het dus zeker niet liggen.”

Arrangeur
Arnold en consorten mochten het dan geschopt hebben tot een professionele, gerenommeerde studio, maar het eigen werk liet nog even op zich wachten. ,,Producer Klaas Leyen zocht het repertoire voor ons uit. Hij kwam dan met een stapel singles die hij had opgevraagd bij uitgeverijen: ‘dit is wel wat voor jullie, jongens.’ We beluisterden de muziek en wat we goed vonden, studeerden we in met de band. We speelden alles zelf in. Alleen de piano, strijkers en blazers werd door sessiemuzikanten gedaan. Als we vroegen of een liedje dat we op hadden genomen nog voorzien kon worden van een orkest, dan was dat geen probleem. Dat was voor ons als jonge muzikanten het walhalla. Willem Jongbloed werd aangewezen als onze vaste arrangeur. Hij voelde perfect aan hoe de arrangementen de tekst en muziek het beste tot hun recht kon laten komen.”
Ondanks dat the Cats aan een flinke opmars bezig waren, hadden ze allemaal nog een fulltimebaan. ,,Ik had de wens om door te leren inmiddels opzij gezet en ging als programmeur aan de slag bij computerbedrijf BULL Nederland. Ik hoorde daar dat prins Bernhard het rekencentrum van Bull had geopend en dat een paar knappe koppen de eerste tonen van het Wilhelmus in de computer hadden geprogrammeerd. Dat was voor mij een soort openbaring. Je kon dus met geheugen en hardware digitaal geluid opnemen. Dat vond ik verwonderlijk.”
Arnolds volgende baan vond hij bij een verzekeringsmaatschappij, toen hij achttien jaar oud was. ,,Als beginnend programmeur had ik het voor elkaar gekregen om het elektromagnetische geheugen van wel 1024 posities helemaal vol te krijgen en wat ik wilde bereiken lukte ook nog. Ik werd daar gelijk als een wizkid avant la lettre gezien. Ik had gewoon zoveel mogelijk annulerings- en overlijdenskaarten in het geheugen ingevoerd, om die vervolgens machinaal te verwijderen in plaats van met de hand.”
,,Alle informatie betreft mijn werk als programmeur stond op ponskaarten en op de achterkant van blanco ponskaartenschreef ik soms tekstideetjes op voor nieuwe liedjes. Twee voorbeelden van liedjes die ik op ponskaartjes geschreven heb, zijn ‘Lea’ en ‘Why’. Ik kon daar naar hartenlust zingen omdat de machines op de werkvloer extreem veel lawaai maakten. Moet je je voorstellen hoe ongemakkelijk het was als die machines dan om de zoveel tijd abrupt muisstil werden en ik daar zo hard als ik kon stond te zingen.”
De combinatie van een fulltimebaan, avondrepetities, optredens en studiosessies zorgden voor zoveel druk, dat hij noodgedwongen moest stoppen als bloeddonor. ,,Ik was dusdanig uitgeput dat ik twee keer out ging tijdens het bloed aftappen. Een hele nacht slapen was verleden tijd, maar we timmerden met the Cats lekker aan de weg. Een voordeel van mijn drukke bestaan was dan weer dat ik als jonge jongen een tweedehands Volvo kon kopen. De directeur en ik waren zo’n beetje de enige twee die met de auto kwamen in die tijd.”

‘De hoge heren
van de platenmaatschappij
stonden dan ook raar
te kijken toen ze
hoorden dat Cees er
zelf ook op stond dat
‘Times Were When’
– met Piet als leadzanger –
absoluut de nieuwe
Cats-single zou
moeten worden’

Met Cees Poes beschikten the Cats over een uitstekende frontman, maar op de achtergrond stond – destijds nog redelijk ingetogen – misschien wel de beste zanger van Europa. ,,Je vraagt je af hoe het kan dat Piet niet direct leadzanger van the Cats is geworden?”, merkt Arnold op, voordat hij een heldere toelichting geeft. ,,Onze platenmaatschappij zag ons als een bandje met een leadzanger, veel gitaarwerk, bas en drums. Een bandje zoals zoveel succesvolle Engelse bandjes uit die tijd. Dat was ook de richting waarin ze zochten voor onze platen. En die platen werden hits, dus ze hadden toch gelijk? Zo werd er kennelijk gedacht. Piets stem paste niet in hun plannen.”
Live werd Piets kenmerkende stemgeluid wel op waarde geschat. ,,Tijdens optredens speelden we veel nummers waarbij Piet de leadzang pakte. Live had hij als leadzanger – ook al in het prille begin – net zo’n belangrijk rol als Cees. Piet zong veel nummers van bijvoorbeeld the Drifters, Ben E. King en Solomon Burke. Die mannen waren onze muzikale helden.”
Maar omdat Piet in eerste instantie geen singles zong, betekende niet dat hij helemaal geen nummers op Cats-albums inzong. ,,Op onze eerste LP zong Piet bijvoorbeeld ‘Goodbye Baby, Baby Goodbye’. Hoe hij dat ingezongen heeft, is van eenzame klasse, maar bij de platenmaatschappij viel dat kwartje nog niet. Wij wisten natuurlijk dondersgoed dat Piet een bijzonder geluid had. Hij was verreweg de meest getalenteerde van ons. Het publiek werd keer op keer gek als hij begon te zingen. Je zal zo’n stem hebben… Maar het genre dat zo goed bij zijn sound paste, werd op dat moment nog niet groots omarmd door de platenindustrie en de radio.”
Piets rol als leadzanger zou groeien nadat the Cats het karakteristieke ‘Times Were When’ op hadden genomen. ,,We vonden ‘Times Were When’ zó goed met Piet als leadzanger, dat we bij de platenmaatschappij aangaven dat dit onze nieuwe single zou moeten worden. ‘Never change a winning formula’, was de reactie van de hoge heren. ‘Times Were When’ was slechts albumvulling en Cees was onze frontman, dus de nieuwe single zou ook een lied met Cees als leadzanger moeten worden. Ze stonden dan ook raar te kijken toen ze hoorden dat Cees er zelf ook op stond dat ‘Times Were When’ absoluut de nieuwe Cats-single zou moeten worden. Het meningsverschil liep zo hoog op, dat de platenmaatschappij producer Klaas Leyen ’s avonds naar Volendam stuurde om op ons in te praten. Ik zie ons nog zo staan: ‘Godverdomme, wij weten inmiddels wel wat commercieel is’, riep ik woedend naar Klaas. Na verloop van tijd gaf hij het op. De platenmaatschappij stelde voor om er een dubbele A-kant van te maken. Mocht ‘Times Were When’ floppen, dan konden ze tegen de pluggers en dj’s zeggen dat ze altijd de echte A-kant nog hadden.” ‘Times Were When’ werd de grote doorbraak voor the Cats.
Vanwege efficiëntie stapten the Cats al gauw over op het gebruik van sessiemuzikanten. ,,Wij hadden veel werk van het instuderen van nieuwe liedjes. Destijds werkten we allemaal nog fulltime, dus alles dat we voor de band deden gebeurde ’s avonds en in het weekend. Die sessiemuzikanten werpen één blik op de bladmuziek en ze spelen het liedje in. De producer stelde voor om deze stap te zetten. Wij vonden het eigenlijk wel prima. De strijkers, blazers en toetsen werden toch al ingespeeld door sessiemuzikanten, dan kon de rest van de instrumenten er ook wel bij. De zang deden we uiteraard zelf, want daar ging het uiteindelijk om, vonden we.”

Snipperdag
,,Vaak namen we een snipperdag om bij opnames van onze liedjes aanwezig te zijn, zodat we de muzikanten instructies konden geven over welke sfeer en sound we zochten. Ik herinner me nog dat we het liedje ‘Lies’ aan het opnemen waren - dat wij live al een tijd speelden - en de bassist het loopje anders speelde dan hoe ik het zelf deed. Ik stelde aan hem voor om het op mijn manier te spelen, waarop hij vroeg of ik het niet zelf wilde doen. In dat geval heb ik dat gedaan omdat het toevallig zo uitkwam”, lacht Arnold.
,,Datzelfde gebeurde met Piets gitaarwerk tijdens de opname van ‘Where Have I Been Wrong’. Dat liedje was een gedoodverfde single. Dat moest hem gaan worden. Het solowerk op de akoestische gitaar moest alleen nog even ingespeeld worden. Om dit zo mooi mogelijk te doen hadden we de hulp ingeschakeld van de befaamde Surinaamse sessiegitarist Julian B. Coco. Hij luisterde naar de demo die Piet had ingespeeld en noteerde noot voor noot wat Piet speelde. Vervolgens gingen de microfoons aan en begon hij te spelen. We hoorden Piet zuchten. Hij liep naar Julian toe: ‘kan je het niet zo spelen?’ en deed voor wat hij bedoelde. Dit proces herhaalde zich een keer of drie, waarop Julian Coco zei: ‘Piet, zoals jij het speelt, zo kan ik het niet spelen. Je moet het echt zelf inspelen.’ Dat was voor Piet het zetje in zijn rug dat hij nodig had. Piet legt een bepaald gevoel in zijn gitaarspel dat niemand kan imiteren. Dat zat bij wijze van spreken bij zijn geboorte al in zijn vingers. Vanaf die bewuste opmerking van Julian Coco heeft Piet alle akoestische gitaarsolo’s van the Cats zelf ingespeeld.”
Iedere vrije minuut die Arnold had, benutte hij met het schrijven van liedjes. ,,We schreven allemaal zoveel we konden. Om de zoveel tijd hielden we dan een luistersessie, waarvoor we Jan Tuf en Jan Cas ook uitnodigden. We gaven elkaars liedjes dan cijfers, alleen de liedjes die je zelf geschreven had mocht je niet beoordelen. Aan het einde van de avond berekenden we welke liedjes de hoogste beoordeling hadden behaald en die werden vervolgens opgenomen in de studio. Later zijn we van dat systeem afgestapt, omdat er besloten werd dat er van ieder bandlid een even aantal liedjes op ieder Cats-album zou moeten komen. Persoonlijk vond ik dat jammer. De kwaliteit van onze muziek werd namelijk ondergeschikt gemaakt aan de verdeling. Als je de competitie niet meer met elkaar aangaat, dan moet je volledig kunnen vertrouwen op ieders kwaliteit als componist, als je nog hits wilt scoren.”
Voor Arnold persoonlijk werkte het om in zijn hoofd de stem van degene die het lied gaat zingen te horen. ,,Kennelijk had ik de gave om vooral goeie liedjes voor Piets stem te kunnen schrijven. Met ‘Lea’, ‘Why’, ‘Marian’, ‘There Has Been A Time’ en ‘One Way Wind’ was dit bijvoorbeeld het geval. ‘Why’ moest een duet worden met Cees samen. Ik wilde Cees graag weer eens in de spotlights zien en de fans zouden het ook wel waarderen als we weer eens zouden laten horen dat we eigenlijk twee leadzangers hadden. In eerste instantie heeft Cees de voor hem geschreven partij ook ingezongen, maar het kon beter. Dat vond hij zelf ook. We planden voor deze laatste zangsessie nog één opname in.”
Arnold stapte samen met Jan Tuf in de auto om Cees op te halen en naar de studio te rijden. ,,Cees kwam in de deuropening staan en zei dat hij verkouden was. ‘Wordt niks, Arnold. Zing jij het maar. Net als op de demo, dat is beter’, zei hij. De studio was al gereserveerd, dus we moesten er gebruik van gaan maken. Enerzijds viel mijn plan, om Cees weer eens in de schijnwerpers te zetten, in duigen, maar anderzijds was ik vereerd dat Cees mijn stem goed genoeg achtte om een deel lead in te zingen.”

‘In Suriname dacht
ik even, nadat we
uit het vliegtuig
stapten, dat de
landingsbaan omsingeld
was door wilde dieren.
Het bleken hordes
gillende fans te zijn’

,,Na de opname vonden we allemaal dat mijn partij beter tot zijn recht kwam dan de eerste versie die Cees had ingezongen. Achteraf kijk je een koe in zijn reet, maar Cees had gelijk. Ik weet nu ook wel waarom mijn stem beter was op ‘Why’. Mijn stem is namelijk veel minder krachtig dan die van Cees. Het contrast tussen mijn ingetogen stem en die soulstem van Piet werkt dus veel natuurlijker dan wanneer twee krachtige stemmen het tegen elkaar opnemen. Daar gaat de tekst ook over, hè. We strijden om dezelfde vrouw en Piet komt als winnaar uit de strijd.” Arnold neemt een korte pauze en lacht: ,,We scoorden er wel een nummer 1-hit mee. Later is mijn plan om Cees weer naar voren te halen alsnog gelukt met ‘Magical Mystery Morning’, dat voornamelijk door Cees werd gezongen en de vierde plaats in de Top 40 bereikte.”
The Cats brachten hit na hit uit en de populariteit reikte tot ver buiten Europa. ,,Pas nadat we twee nummer 1-hits op onze naam hadden staan werden we beroepsmuzikant. Dat kon ook niet anders. Het was echt niet meer bij te benen. Nu konden we ons volledig op de muziek storten.” De Volendammers reisden af naar Scandinavië. ,,We deden gelijk een tourtje door Zweden, waar Benny Andersson van ABBA – toen keyboards speelde in the Hepstars – nog in ons voorprogramma heeft gespeeld. Los van het feit dat we sindsdien kunnen zeggen dat een kwart ABBA in ons voorprogramma heeft gespeeld, heeft die tour ons niet veel gebracht. Geen mens kende ons in Zweden!”
Een latere tour – waar the Cats wel hun sporen wisten na te laten – was er eentje in Indonesië. ,,We bleken daar echt heel groot te zijn. Er zijn tot op de dag van vandaag Cats-tributebands actief in Indonesië. In onze periode op het tropische oord hebben we zelfs voor de vicepresident van het land mogen optreden. We speelden die avond in een grote theaterzaal. ’s Middags tijdens de soundcheck werden er voor het podium opeens imposante, blauwe bankstellen neergezet. Ik vroeg waar dat voor was en zo kregen we te horen dat de vicepresident die avond eregast zou zijn. Dat vonden wij – een bescheiden zangclubje uit Volendam - best bijzonder.”
Het was ook in Indonesië dat Arnold te maken kreeg met het sterrendom. ,,Bij de landing van het vliegtuig merkten we al dat ons iets te wachten stond. Iedereen mocht het vliegtuig uit, maar the Cats moesten blijven zitten. Het hele vliegveld bleek vol fans te staan. Ze wilden een glimp opvangen van ons. Dat soort situaties kunnen vrij indrukwekkend zijn. Het heeft natuurlijk niks met muzikaliteit te maken, maar de toestand waar je in terecht komt. Als Volendammer mag je je natuurlijk geen rockster voelen – en dat doen we ook niet – maar we merkten wel dat dit geen kattenpis was. In Suriname maakten we een vergelijkbare situatie mee. Daar dacht ik even, nadat we uit het vliegtuig stapten, dat de landingsbaan omsingeld was door wilde dieren. Het bleken hordes gillende fans te zijn. We konden niet bevatten dat dit voor ons was”, lacht Arnold bescheiden.

Studio
Naast het schrijven en spelen van muziek had Arnold altijd nog één grote passie: de techniek achter de muziek. En dankzij zijn in 2001 helaas overleden vrouw Henny, staat in Volendam een van de meest succesvolle muziekstudio’s van Nederland. ,,Eigenlijk is de studio ontstaan omdat het huisje dat we hadden gekocht veel te klein was. Er moest een keuken worden aangebouwd, maar dat mocht niet zomaar van de gemeente. Omdat we ons op industriegebied bevonden, ontstond er wel een mogelijkheid als het een bedrijfswoning zou worden. Ik opperde ‘als ik achter de woning een repetitieruimte bouw en dat vervolgens verhuur, dan zijn wij toch een bedrijf?’. Daar was geen speld tussen te krijgen. Zo werd de repetitieruimte voor the Cats overdag en ’s avonds voor Jen Rog gerealiseerd.”
Als aanvulling maakte Arnold een controlekamertje met twee opnamerecorders, zodat hij ook kon opnemen als het nodig was. ,,Iedere keer als er een Cats-repetitie plaatsvond, moesten we het hele live gebeuren naar binnen slepen, inclusief het mengpaneel. En met dat mengpaneel kon je ook opnemen. Die kans liet ik als liefhebber natuurlijk niet onbenut. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de techniek achter de muziek.” Met de wetenschap dat Arnold als jonge jongen een eigen basgitaar bouwde en zijn voorliefde voor de techniek achter de muziek uiteindelijk resulteerde in een hitfabriek, heeft zijn verregaande interesse hem veel gebracht.
Arnold begon met het opnemen van demo’s voor the Cats en andere lokale bands. En in 1975 rolde het eerste album uit zijn studio: ‘File Under Popular’ van Specs Hildebrand. Inmiddels is het zo dat er geen stukje muur meer te zien zou zijn als hij alle gouden platen die in zijn studio zijn opgenomen op zou hangen. Succesvolle albums van onder meer the Cats, Marco Borsato, Jan Smit, André Hazes, Ilse Delange, Acda & de Munnik, Gordon, Within Temptation, BZN, Nick & Simon en de 3JS hebben er het levenslicht gezien. ,,Zelfs 50 Cent is één dag geweest en hij en zijn mensen wisten het te presteren om op die ene dag alle luidsprekers op te blazen. De schade hebben ze aan het einde van die dag cash terugbetaald”, lacht Arnold.
Onderhand is Arnolds zoon Patrick al decennialang de knoppenbaas - hij is een kei in zijn vak, aldus zijn vader - maar Arnold mag nog altijd graag even om het hoekje kijken van zijn dierbare studio. Arnold is liefhebber in hart en nieren. Vanwege zijn bovenmatige interesse, zijn talent en zijn doorzettingsvermogen wist hij in drie verschillende muzikale vakgebieden de top te bereiken. Hij werd noodgedwongen bassist, leerde het zichzelf aan om nummer 1-hits te schrijven en hij richtte één van Nederlands meest succesvolle studio’s op. Arnold is verantwoordelijk voor hits die door generatie op generatie worden doorgegeven en bovendien: hits die nog altijd concertzalen op hun kop zetten. The Cats gooiden 37 jaar geleden officieel de handdoek in de ring, maar beschikken nog altijd over een toegewijde fan schare die de verschillende tributebands naar ieder optreden volgt. Volendam zou niet hetzelfde zijn geweest als Arnold een jaar na zijn blokfluittrauma niet tóch die gitaar cadeau had gekregen.

|Doorsturen

Uw reactie