Algemeen

Jan en Jaap Jonk (bol) bestreden en roemen samen Johan Cruijff

‘Dat zijn mooie herinneringen…’

In het kader van 100 jaar voetbal in Volendam is er een magazine verschenen namens RKAV en FC Volendam. In een oplage van 2000 exemplaren. Daarin een reis door de tijd, met verhalen uit de geschiedenis, van Jan Schilder ‘vik’ en Wim Bergsma over de Zilveren Botter. Maar ook Klaas Smit over de bekersensatie van de zondagamateurs in 1979. De twee voorzitters komen aan het woord, vanuit het recente verleden en heden Wim Jonk vertelt en van de nieuwe generatie komt een RKAV-talent (Jackson Lautenschutz, 8 jaar) aan het woord. Een ander verhaal uit het magazine, met de gebroeders Jonk, drukken we ook in de Nivo af.
Door Eddy Veerman

De broers Jan en Jaap (Jack) Jonk (bol) werden een halve eeuw geleden vastgelegd tijdens Ajax-FC Volendam in De Meer. De oudste van de twee (Jaap) probeert een nog jonge Johan Cruijff, Nederlands beste voetballer ooit, af te stoppen, op een afstandje gadegeslagen door broer Jan.

Jaap: ,,Ik was daar 22, Jan zal 20 zijn geweest. Deze foto kende ik nog niet.” Het lijkt erop dat één van de weinig keren dat Cruijff de bal kwijtraakte, is vereeuwigd. De broers lachen. De Volendamse verdediger van weleer durft dat niet vast te stellen. ,,Het was een typerende actie van Cruijf en ik denk toch dat hij ‘m evengoed had, van wat ik nog kan herinneren. Dan dacht je dat je ‘m had, maar dan was hij er tóch langs… Het was een meester.” Jan: ,,Ik stond tegenover hem, maar we gaven dubbele dekking. Je had meer van die razendsnelle spelers en die kon ik niet bijbenen. Dan spraken Jaap en ik van tevoren af: ik geef kort dekking, dan moest de tegenstander wel een lange bal geven en dan gaf Jaap rugdekking. Zo losten we dat zelf op, daar kwam geen trainer aan te pas.”
,,In De Meer speelden we met negen verdedigers, om de schade beperkt te houden. Maar dat gaf niet. Mannen als Gerry Mühren, Piet Keizer en Cruijff, ze tikten je gewoon weg. Cruijff was nog zo’n licht ventje. Een sprinkhaantje. Ik weet nog dat we hem voor het eerst zagen op het veld. Hij sprong overal overheen en langs. We verloren met 3-0 van Ajax, maar het werd ook wel eens 7-1. Bij ons thuis, als we in de eredivisie zaten, had Ajax altijd moeite met Volendam. Zelfs in de jaren dat ze de Europa Cup 1 wonnen. Toen was er geen raad voor, waren ze zo goed. Ik zeg dan wel eens: wat waren wij dan toch God goed. Want wij werkten toen gewoon overdag in de bouw.”
De broers werden geboren op de Rokersgracht, nummer 22, aan het Zwarte Pad. ,,We voetbalden altijd op de buurt, voor en na school. De basis lag op de straat, bij ‘Willem van Jan Baap’ op het hoekje. De poort van de Protestantse Kerk was het doel en aan de overkant was er een doel. We voetbalden ook in de rokerijbuurt. Daar was geen raampje en kon je hemels voetballen. Daar op straat maakten we die duizend uren.” Jaap: ,,Je stond er niet bij stil, maar zo trainde je als kind dag en nacht.” Jan: ,,Cruijff zei ook altijd: het voetbal op straat vormt je. Er waren stoepen en andere oneffenheden. En wij wilden altijd winnen. Winnen moet je ook leren. Als je dat doordeweeks had, gaf je in het weekeinde ook niet zo snel op.”

‘Toen wij nog
kinderen waren,
hadden wij er
geen erg in dat
hij zo’n belangrijke
man was, onze
overbuurjongen,
‘De Knoest’’

Jaap: ,,Tegenover ons woonde Dick Tol, ‘de Knoest’, die was wat ouder en speelde al in het eerste. Jan: ,,Een fenomeen.” Jaap: ,,Toen wij nog kinderen waren, hadden wij er geen erg in dat hij zo’n belangrijke man was, onze overbuurjongen. Als zestienjarige mocht ik bij het tweede meedoen. Dan had je elke week op donderdag een wedstrijd: het eerste tegen het tweede. Kwam ik tegenover ‘De Knoest’ te staan. Zei-ie vooraf tegen me: ‘Doe je wel rustig aan, Japie’. Hij had altijd ergens last van en was een luie voetballer. Als er getraind werd en er waren wat oefenvormen, dan hoorde je na tien minuten ‘De Knoest’ brommen: ‘partij’. En even later gingen we dan een partij, dan zwichtte de trainer. En tja, ik kon niet rustig aan. Maar ‘De Knoest’ behield zijn snelheid.”
Jan: ,,Ik kan het zo nog voor me halen, hoe snel hij was als hij in de ruimte werd aangespeeld. Ik kwam net uit de betaalde jeugd en mocht ook in zo’n wedstrijd van het tweede tegen het eerste meedoen. Zei hij ook tegen mij ‘hé, buurjongen, doe je rustig aan’. En in die versnelling had hij dan ook een schot, geweldig was dat. Dat was aangeboren. Hard en zuiver. Daar kon je van genieten. Een prachtige en sociale man.” Jaap: ,,Hij was nog maar 39 toen hij overleed. Heel voetballend Nederland liep toen uit voor de begrafenis.”
,,Weet je wat je je nu niet kan voorstellen: toen wij nog niet in het eerste speelden, gingen we wel kijken. Als we dan terugkwamen van de wedstrijd, haalde ‘De Knoest’ zijn vader het raampje van de deur open: ‘Hoe was het?’, klonk het dan op een kalme toon. Hij ging nooit kijken bij de wedstrijden van zijn zoon in het eerste. Nooit. Terwijl ‘De Knoest’ zelfs een keer topscorer van de eredivisie werd. Hij was niet de enige vader die niet kwam kijken. Onze vader kwam ook nooit op het voetbalveld. We hebben nog een keer een seizoenkaart aan hem geven, maar hij ging niet.”
Jan: ,,Hij luisterde live de radio-uitzending van Langs de Lijn en hield álles bij. Als we dan thuis kwamen, vertelde hij wat er allemaal was gebeurd op de velden. Onze zussen gingen wel heen, die waren stapelgek op voetbal. M’n moeder is ook enkele keren geweest. Het is wel raar. Twee zoons in het eerste. En dan niet gaan kijken, zeker nu we zelf vader en opa zijn van kleinkinderen, kun je je dat niet indenken.”
Jan: ,,Ze vonden het als gezinsleden ook moeilijk als er kritiek geuit werd. Dat hoorde je als speler zelfs vanaf de tribunes, ook als je op het veld stond. ‘Gaan naar uis’. Dat gemopper als je een bal verkeerd gaf. En altijd dezelfde mensen. Misschien dat sommige ouders daarom niet gingen kijken.”
Jaap: ,,Er mochten nooit ouders mee toen we in de betaald jeugd (A1, red.) zaten, toen we zeventien waren. Alleen Jan Mühren, de vader van Gerrie en Arnold, was altijd mee in de bus. Die regelde toen al het leven van de jongens. Dat ze geen biertje namen en dat soort dingen. Achteraf gezien heeft hij het goed gedaan. Ze hebben allebei het Nederlands Elftal gehaald.”
De broers stonden nadat ze van school kwamen, al snel op de steiger in de bouw. Nog voor dag en dauw in het busje. ,,Dan om vier uur ’s middags kwam je terug en dan snel eten en rennen, om daarna te gaan trainen. Kun je nagaan, dan speelde je in de eredivisie.” Jaap: ,,Ik weet nog van de periode vlak daarvoor, toen we in de betaalde jeugd om het landskampioenschap speelden. De uitwedstrijd bij ADO Den Haag verloren we. Moesten we de return doordeweeks spelen. De spelers van Den Haag waren de hele dag al in Volendam, rustig in voorbereiding. Ik werkte op een bouwtje in Ilpendam en daar stond ik om half zes nog, omdat onze werkmaat Jaap ‘Hoeg’ een lekke band had. Om half zeven begon de wedstrijd, met een paar duizend toeschouwers. Ik kwam in huis, kreeg een flip en m’n tas in mijn hand. Om vijf over zes kwam ik hardlopend het stadion binnen… We wonnen uiteindelijk wel en werden kampioen.”

Wereld van verschil
,,Maar de omstandigheden van toen… een wereld van verschil. Laatst had je die extreem warme omstandigheden. Ik weet nog dat wij destijds een keer moesten trainen met veertig graden. Wij hadden geen bidons met water, zoals nu. Terreinmeester Jaap Jonk (Piel) zette één emmer water op de middenstip en daar kon je, met dertig spelers, je hoofd even in houden. Als je dan nu de luxe ziet die voetballers hebben…”
Jaap: ,,Ik weet nog dat we in de betaalde jeugd zonder systeem speelden, dat we met z’n vijven achter en er vijf daar voor stonden. Vroeg ik de trainer, voormalig eerste elftalkeeper Jaap Keizer (Aaltje), of we een keer met een ander systeem moesten spelen. ‘Wat dan, hebben die spelers van de tegenstander soms twee vaders en moeders? Nee toch. Jij ook niet.’ Met andere woorden, los het maar op.” Jan: ,,Dan zei hij voorafgaand: ‘Bollen, als jullie de nul erin houden tot aan de rust, dan gaan we winnen.’ Dat prentte hij er in, wij deden alles om de nul te houden en als dat lukte, dan wist je dat het in de tweede helft ging gebeuren. En zo werden we landskampioen in de A-jeugd. In die tijd had je ook Thaampie ‘van de Kraaier’, die de voetbaljeugd boks- en judotraining gaf, hij was zijn tijd ver vooruit.”
,,In die tijd werd er nauwelijks gewisseld in het betaalde voetbal, was er ook nooit sprake van doorstroming. Daardoor kon het gebeuren dat spelers heel jong in het tweede kwamen, maar nooit de sprong naar het eerste konden maken, omdat de selectie bijna ongewijzigd bleef.” Jan: ,,Alleen in het jaar dat wij met de betaalde jeugd (A1) Nederlands kampioen werden, toen mochten er meteen acht spelers over naar de A-selectie. Met jongens als Jan Hoogland en Jaap Tol (stein). In die jeugdcompetitie speelden we al tegen Johan Cruijff en Ajax, maar daarna werd Cruijff al overgeheveld naar het eerste. Daardoor konden wij eerste worden.”
Ze debuteerden in het betaalde voetbal toen ze achttien jaar oud waren. Jan: ,,Ik werd door de trainer als middenvelder op de beste speler van PSV gezet, Willy van der Kuijlen. Uiteindelijk speelden we als broers allebei als spil. Dat was helemaal mooi. We voetbalden ook goed en probeerden echt goed samen te spelen, ook al trainden wij minder en werkten we allemaal overdag. Elders in het land had je al semiprofs, hadden voetballers ’s middags vrij.”
Jan: ,,Ik kan me nog wel herinneren dat er best periodes waren, dat je tijdens de training niet vooruit kon komen. Sommige trainers konden dat wel accepteren. Dick Sier (kits) had dan wel eens midden in de winter in de buitendienst gezeten bij Siem Steur. Hard werken in de gure kou. ‘Nou effe lekker trainen’, zei hij dan met een glimlach. Daar moest je je dan maar overheen zetten.” De waardering van bovenaf was niet groot. Jaap: ,,De mensen in het bestuur in die tijd... Wij haalden de halve finale van de KNVB Beker en lootten thuis tegen grote Ajax. Prachtig. Opeens had het bestuur het idee opgevat, zonder het aan de spelers te vragen, om de wedstrijd bij Ajax te spelen. Dat leverde meer geld op. Wij met een paar spelers naar het bestuur toe. En zeiden dat we het niet leuk vonden. Thuis hadden we tenslotte meer kans. We vroegen of er iets tegenover stond voor de spelers. Er werd gewoon keihard ‘nee’ geschud met het hoofd. Terwijl we niks absurds vroegen.”
Jan: ,,We hebben wel eens hommeles gehad met contractbesprekingen. Vroegen we een keer een paar centen meer. Je kreeg duizend of vijftienhonderd gulden in een jaar. Werden we wat mondiger, in de hoop dat we een keer wat meer krijgen. ‘Ik doe het niet voor dit bedrag’, gaf ik aan. Zei Pé Mühren, de stadionspeaker, die toen ook bij dat gesprek zat. ‘Dan stop je toch lekker’.”
Jaap: ,,Volendammers werden wat dat betreft niet meegeteld.” Jan: ,,Je had niks te vertellen. Enkele dorpsgenoten van stand maakten de dienst uit. Terwijl er soms wel tienduizend mensen op de tribunes zaten. En waar dat geld van de opbrengst heen ging… We hadden nog mazzel dat enkele middenstanders, supporters, ‘Uniek Volendam’ vormden. Die hadden geld opgehaald en daar kreeg je dan wel eens een extraatje van. Die hadden wel de waardering.”
,,Het bestuur handelde heel vreemd. Ik weet nog dat enkele spelers, Jan Jonk (de Kip), Dick Sier (kits) en Klaas Plat, een jaar of 28 waren en jaren achtereen in het eerste hadden gespeeld. Kregen ze tijdens de zomerstop een briefje thuis, dat ze niet meer tot het eerste behoorden. Dat was een gekke gewaarwording, Zonder overleg, zonder bedankje. Zo zijn veel oud-spelers nooit meer naar het stadion geweest. Gewoon verbitterd.”

‘Ik had misschien
Europees kunnen spelen,
maar Volendam hield
het tegen’

Jaap: ,,Als we toen toch een makelaar hadden gehad, zoals spelers die nu al op jonge leeftijd hebben. Dan had mijn carrière ook heel anders kunnen lopen. Rinus Israël ging in 1966 van DWS Amsterdam, waarmee hij in ’64 landskampioen was geworden boven Ajax, PSV en Feyenoord, naar Feyenoord.” DWS won in die jaren internationaal van clubs als Fenerbahce, Atalanta Bergamo en Chelsea. Een Volendammer, Japie Schilder, werkte bij de voorzitter van DWS en kwam bij m’n moeder an de deur, dat meneer de voorzitter een gesprek wilde me mij. Op zaterdagochtend wij twee ventjes, ik achtien en Jan zestien, met de bus naar het Damrak. Die meneer zat op zijn kantoor en vroeg daar of ik het jaar erna bij DWS wilde voetballen. Israel zou van DWS naar Feyenoord gaan. Bij Volendam had ik geen contract en in Amsterdam kon ik veel geld verdienen. Ik wilde graag. DWS kwam naar Hotel Spaander om met Volendam te praten. Daarna kwam Hein Schilder (van Madoet), bestuurslid die over het geld ging, bij mijn moeder thuis. Bijna huilend. Hij praatte niet tegen mij, maar probeerde op het gemoed van mijn ouders in te spelen. ‘Nou gaat jullie zoon naar de stad’. Pas op het einde vroeg hij mij ‘wil jij nog steeds daarheen?’. Ik zei ja. Ik hoorde vervolgens niks van Volendam, tot Japie Schilder met ons huis belde en vertelde hoe het was afgelopen. DWS bood veertigduizend en Volendam vroeg tachtigduizend gulden. Ik kon fullprof worden. Dat was uniek. Omdat Volendam zoveel geld vroeg, ging het niet door. Anders had ik een hele andere carrière gehad. Had ik misschien Europees voetbal kunnen spelen.”
,,Aan het eind van het seizoen schreef ik een brief naar de VVCS, in 1961 opgericht. Toen kreeg ik een brief terug dat Volendam mij nog zo’n tweeduizend gulden bij moest betalen. Had recht op percentage van het aanbod. Ging ik met die brief naar secretaris Jan Plat. Nou, het leek wel of ik de club bestal, zo reageerde hij.”
Later kwamen de broers Israel tegen toen die net met Feyenoord (in 1970) de Europa Cup 1 (Champions League) had gewonnen. ,,Twee weken daarna moesten wij naar De Kuip. Feyenoord had echte kerels als Van Hanegem, Jansen, Kindvall, Israël, Laseroms. Speelden we – nadat grote Europese succes – voor 48.000 mensen, dat stadion werd gek van enthousiasme. Dan stond je al 2-0 achter terwijl het nog moest beginnen. Uiteindelijk verloren we met 3-1.” Jan: ,,Ik weet nog dat er een dieptebal kwam, die over me heen ging. Kindvall sprintte en ik dacht er is één manier: een omhaal. Ik raakte gelukkig de bal en niet de spits van Feyenoord, maar hij liep wel tegen me op en ging naar de grond. Scholden zo’n veertigduizend mensen me uit voor ‘viezerik, viezerik’. Zat onze zus Neel in het Volendams op de tribune, die kreeg het ook te verduren.”
Jaap: ,,Maar daar mogen spelen, dat was eindeloos. Je was vooraf wel zenuwachtig, ik had dat sowieso bedroefd. Moest voor de wedstrijd drie keer naar de wc, in een tijd van tien minuten. Als ik op het veld stond, had ik er geen last van.” Jan: ,,Ik had dat gelukkig niet, vond het mooi om tegen die ploegen uit te komen die Europa Cup speelden en zelfs wonnen. Ik kreeg daar een kick van.” Jaap: ,,Dat was ook een droom. Maar je had ook spelers die door de spanning geen bal raakten. Die haakten dan af, terwijl zij beter konden voetballen dan wij.”
Jaap: ,,Ik had een gek dingetje, ik gaf mijn spits altijd even ruimte en zodra-ie dan werd aangespeeld, was ik al onderweg en met een goede timing had ik dan de bal. Als het moest naast de bal óók de tegenstander. En ik heb maar één keer een gele kaart gekregen. Dat was met een doorgebroken speler, ik moest ‘m wel pakken. De tegenstander ging onderuit en ik dacht dat ik zijn been gebroken had, maar het bleek dat mijn eigen been gebroken was…”

Doodzonde
Jan: ,,Toen Klaas Vracht stopte, maakte trainer Hans Croon mij aanvoerder. Ik was 22. Dat moet wel in je zitten, het voortouw kunnen nemen. Dat gaf me een goed gevoel. Het was doodzonde dat ik niet veel later geblesseerd raakte.” Jaap: ,,24 jaar, dat was erg jong.” Jan: ,,We trainden voor het nieuwe seizoen en ik voelde dat er iets niet goed zat. Ik heb een tijdje ‘gedokterd’, zat op een gegeven moment elke week bij Ajax-verzorger Salo Muller, daar kon ik terecht. Ik bleek teveel kalkvorming te hebben in de enkel. Kreeg ik in Amsterdam dertien weken lang een spuit in de enkel. Dan liep ik telkens weer redelijk en Joep Steur wilde als trainer dat ik meedeed, maar ik kon geen wedstrijden spelen, ik kon niet meer sprinten. Het spul wat er in ging, was natuurlijk niet goed. Maar ik wilde natuurlijk voetballen. Na dertien weken stopte ik er mee. Uiteindelijk ben ik geopereerd, maar ze hadden de kunde niet om het kalk weg te halen. Vijftien jaar geleden ben ik er opnieuw aan geopereerd, toen hadden ze wel de techniek waar ze vijftig jaar eerder niet over beschikten.”
,,Maar op m’n 24e kon ik niet meer voetballen, omdat de afwikkeling pijn gaf. Dat heeft wel zeer gedaan. Ik was basisspeler, superfit en opeens was het klaar. Doodzonde.” Jaap: ,,Dat is verschrikkelijk, in de bloei van je leven als voetballer.” Jan: ,,De sfeer die we hadden, met allemaal Volendammers, dat was zó mooi.” Jaap: ,,Dat was de mooiste tijd. Daarom waren wij zo gemakkelijk en accepteerden maar dat we niet zoveel geld kregen. Je was blij dat je met je dorpsgenoten in het eerste mocht voetballen. Tuurlijk was het niet goed, dat die enkeling van buiten later meer kreeg en jij niet, maar dat accepteerde je maar.”
Jan: ,,De ochtend na de wedstrijd zat je dan weer met je werkkloffie in het busje naar een bouwtje. En dan in die bouwkeet, dan kwam er een dag na de wedstrijd soms geen goed woord uit. Dat was kritiek, maar ook een soort humor. Een Volendammer zei niet tegen jou hoe goed je was. Tuurlijk deed dat je wat, die kritiek. Ook die mannen die luidkeels vanaf de tribune schreeuwden. ‘Gaan naar huis’, hoorde je dan, als je op het veld liep en een foutje had gemaakt.” Jan: ,,Als je dan na de wedstrijd gedoucht onder de oude tribune kwam, dan kreeg je steevast van de man van de kantine als eerste een uitval naar je hoofd geslingerd. Zaten ze allemaal aan een biertje te lachen. Dat moesten sommige mannen even kwijt en daarna kon je weer verder samen.”
,,Laatst werd ik op de dijk aangehouden door een man uit ‘de Noord’. Hij herkende mij van afstand, als voetballer van toen. En noemde ons elftal van vijftig jaar geleden op. ‘Vanuit Noord Scharwoude ging ik als tienjarig jochie op zondagochtend bij mijn vader achter op de fiets, naar jullie uitwedstrijd’, zei hij. Prachtig was dat. Die aantrekkingskracht? Omdat we een klein dorp hadden en met eigen jongens speelden. Dat gaf die charme. Overal waar we kwamen, trok het extra mensen naar de stadions. En je hoorde later van oud-tegenstanders dat ze Volendam een unieke plek vonden om hier te mogen voetballen.”
,,Maar dat we met zo weinig inwoners en allemaal Volendammers op eredivisieniveau voetbalden, geeft aan hoeveel er met de bal werd gedaan vroeger. En de ene keer promoveerden we en dan degradeerden we weer.” Naast ‘De Knoest’ maakten ook Jany Schilder, die eerder naar Sparta was getransfereerd en terugkeerde, en Klaas Karregat (blubber) deel uit van de oude garde. Jaap Jonk (Bol) leek ook op weg naar honderden wedstrijden in het eerste, maar plots kwam daar verandering in. ,,Ik was dertig, mijn vrouw was weer zwanger en ik werkte nog steeds als voetballer, bij het bedrijf van bestuurslid Hein van Madoet. Vroeg ik Hein of ik ‘s middags vrij kon krijgen. De spelers die van buitenaf kwamen, mochten dat wel. Maar het ging mooi niet door, ik kreeg geen toestemming. Toen ben ik plotseling gestopt, terwijl ik superfit was.”

‘Dat we met zo
weinig inwoners en
allemaal Volendammers
op eredivisieniveau
voetbalden, geeft aan
hoeveel er met de bal
werd gedaan vroeger’

,,Ging ik bij de zaterdag-1 van de RKAV voetballen. Wonnen we meteen de beker voor amateurs, terwijl we op dat moment in de tweede klasse speelden, dat was ook uniek. Ik heb tien jaar bij de zaterdag-1 gevoetbald en ben jeugdtrainer geworden. Dat heb ik veertig jaar gedaan. Wat de FC betreft, heb ik elk jaar een seizoenkaart gekocht en ik zit nog steeds in het stadion. Dat geldt zeker niet – en dat is jammer – voor alle oud-voetballers.”
Jan: ,,In het begin had ik ook een vaste kaart, maar ik kijk altijd erg kritisch. Als het dan vijf weken achtereen slecht is, of een bepaalde speler is in mijn ogen niet toe en die blijft staan, dan kan ik zomaar een tijdje niet heen gaan. Gaandeweg zijn er steeds meer spelers van buitenaf gekomen en als die jongens beter zijn, kan ik dat accepteren. Als dat niet het geval is, wat vaak genoeg gebeurd is, dan vind ik dat doodzonde voor onze eigen jongens.”
,,Ik ben vier jaar trainer geweest bij de B1-/B2-selectie van de RKAV. Dan stopte ik er heel veel tijd in en bekeek ik ook wedstrijden van bijvoorbeeld de C-tjes. Dan gebeurde het ook dat we voor aanvang van het seizoen zes nieuwe jongens van buiten kregen, die waren gescout vanuit de FC. Bleek dat die jongens ook zeven wedstrijden achtereen móesten spelen, wat betekende dat Jan Zwarthoed (gokker) en ik Volendamse jongens op de bank moest laten beginnen. Dat kon ik niet over mijn hart krijgen. Na een paar weken zette ik dan de Volendammers er weer in, dan waren de rapen gaar bij de FC-opleiders. Heb ik bedankt. Ik stopte er zoveel energie in en wilde niet dat mij zoiets werd opgelegd. Als ik dan ging kijken, zag ik dat er weer Volendammer jongens op de tribune zaten.” Jaap: ,,Ik hoefde daarom ook geen hogere selecties te trainen, wilde me daar niet in mengen en deed het vooral voor m’n lol. Ik ga niet in discussie met mensen die denken dat ze het weten.”
,,Zoals het nu gaat, is prachtig. Iedereen gunt het Wim ‘Spijker’.” Jan: ,,Ik blijf kritisch, maar bezoek vaak de trainingen die Wim Jonk en zijn mannen geven en daar kan ik van genieten.” Broer Jaap knikt instemmend. Zijn kleinzoon Lex Veerman is doorgestroomd naar Jong FC Volendam en mocht zelfs meetrainen bij het eerste. ,,Dat is prachtig. Terwijl hij in de Onder-17 twee jaar geleden nauwelijks aan spelen toekwam.” Jan: ,,Dat liet de clubleiding toen gewoon toe. Het scheelde maar weinig of hij was weg bij de FC en dan zou je weer een Volendammer – een mooie voetballer ook nog – kwijt zijn. Gelukkig krijgt hij nu weer een kans. Er is nog veel werk in te verrichten. Nu is een jongen als Milan de Haan op zeventienjarige leeftijd van de RKAV naar de FC overgeheveld, maar dat zou vaker kunnen. Neem zo’n Wessel Stuijt van de zaterdag-1. Laat ze meetrainen.” Jaap: ,,In de huidige tijd ben je er niet zomaar als voetballer. Nu begint het pas. Je moet zelf alles geven en je hebt ook geluk nodig.” Jaap kijkt op zijn klokje. ,,Het is vrijdag. Visdag. Ik ga visjes bakken voor ons en de kleinkinderen, want als de bap ze bakt, zijn ze toch het lekkerst…”

 

|Doorsturen

Uw reactie