Algemeen

Cholera, pokken en Spaanse griep: de Volendammer kermis werd al eerder bedreigd (en geannuleerd) door besmettelijke ziekten

De geschiedenis herhaalt zich

De kermis gaat dit jaar niet door. Dat is natuurlijk erg vervelend voor heel veel mensen, niet in de laatste plaats voor de ondernemers op de dijk, die hun brood moeten verdienen. Maar natuurlijk ook voor al de inwoners van Volendam en Edam, die behoefte hebben aan een groot feestje na maanden van lockdown. Maar we begrijpen het. Schoorvoetend. Want we willen geen besmettingsuitbraken in ons dorp. Hoewel we logischerwijs denken dat we hier te maken hebben met een unieke gebeurtenis in de historie, blijkt het iets anders te zitten. Inwoners van Volendam hebben al vele keren kermissen gecanceld zien worden en sterker nog: ook meerdere keren door het heersen van besmettelijke ziekten. Een kijkje in het verleden van de geannuleerde kermis.
Door Frank Zwarthoed

Het was zomer 1918. Op de Voorhaven in Edam scheen de zon met warme stralen door de ramen. Johan Schildmeijer keek uit het raam. Hij was een telg uit een bekende Edamse kermisfamilie. Jarenlang had zijn familie met een beroemde Zeeuwse stoomcarrousel op de kermis gestaan. De draaimolen was groot, prachtig versierd, en had binnen ook nog een cakewalk en kramen met lekkers. De carrousel werd aangedreven door een stoommachine en dat was begin 20ste eeuw het modernste van het modernste.
Johan heeft slecht nieuws gekregen. De kermis gaat dit jaar waarschijnlijk niet door. Onbegrijpelijk, vindt Johan. De gemeente Edam denkt er goede argumenten voor te hebben. De aanvoer van levensmiddelen en brandstoffen is een stuk minder geworden door de nog woedende strijd in België en Duitsland, een oorlog die wij Nederlanders nu de Eerste Wereldoorlog noemen. Bovendien heeft de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland gewaarschuwd voor de Spaanse griep. Een dodelijk virus dat op dat moment vooral in Frankrijk, Italië en Spanje een probleem was, maar nog niet de Nederlandse grenzen had bereikt.

‘De gemeenteraad besloot
in augustus 1918 dat de
kermis niet doorging.
Niet alleen vanwege
de schaarste, maar vooral
omdat de eerste Spaanse
griepdoden in Nederland
toen al waren gevallen en
het virus verspreidde zich snel’

Johan begrijpt de zorgen van de gemeente goed, maar vindt dat juist nu, in deze moeilijke tijd, ook moet worden gedacht aan het brood van de (kermis)ondernemers. Bovendien lijken de meeste kermissen in de regio nog door te gaan. Hij besluit in de pen te klimmen en een brief te schrijven aan de gemeenteraad. Hij maakt in zijn brief ook nog even duidelijk dat de kermis zeer gewild is bij de inwoners. En.. afgelopen winter werden er nog talloze voorstellingen georganiseerd in de gemeente. Dat trok volle zalen, dus dan kan de kermis toch ook wel doorgaan?
Zijn netjes geschreven brief met mooie oranje zegel deed hij op de post. Hopende op een gunstig antwoord. Het antwoord kwam, maar was voor hem niet zo positief. De gemeenteraad besloot in augustus 1918 dat de kermis niet doorging. Niet alleen vanwege de schaarste, maar vooral omdat de eerste Spaanse griepdoden in Nederland toen al waren gevallen. En het virus verspreidde zich snel. Johan Schildmeijer moest zich er helaas bij neerleggen dat er in 1918 geen Volendammer en geen Edammer kermis zou zijn.
De Spaanse griep was ook lang geen pretje. In het boek ‘Waarheid en Roddel’ schrijft Piet Koning over dit virus in Volendam. ‘De ziekte begon met een zeurderige hoofdpijn en branderige ogen. De patiënt werd rillerig en de koorts steeg. Hij gaf bloed op, zijn gezicht kreeg een donkere, bruinpaarse kleur en zijn voeten werden zwart. Hij kreeg ademnood en spuugde een schuimend mengsel van bloed en speeksel uit. Degene die daarna longontsteking kregen, waren ten dode opgeschreven.’
Piet Koning schrijft dat ook in Volendam verschillende slachtoffers zijn gevallen. Een slachtoffer is de dochter van de bekende hotelhouder Leendert Spaander; Pauline Spaander. Haar dood ging als een schok door het dorp. Door al deze gevallen was het voor de gemeenteraad dan ook geen moeilijke beslissing. Zonder veel debat werd de kermis in dat jaar geannuleerd.
Het zou niet de laatste kermis zijn die niet doorging. Ook in de oorlogsjaren is er jaren geen kermis geweest (met een uitzondering in 1942) en na de Nieuwjaarsbrand in 2001 is door de gemeente besloten dat het uit piëteit met de slachtoffers niet gewenst was om een groot feest te geven. En natuurlijk de kermis van 2020, geveld door het coronavirus. Houdt daar dan het hele verhaal op? Zeker niet. Ook al vóór 1918 werd de kermis meerdere keren bedreigd door besmettelijke ziekten. De gemeenteraad had het daar niet altijd makkelijk mee.
In de 19e eeuw verspreidden verschillende besmettelijke ziekten zich door Europa. Denk aan het nare en dodelijke cholera (dat gepaard ging met diarree, onophoudelijk overgeven en uitdroging binnen enkele uren) of de pokken. Die laatste dodelijke ziekte ging samen met zware griep, hoge koorts en een hoop lelijke blaasjes op het gezicht. Niet bepaald prettige symptomen, zeker in een tijd waarin de medische wetenschap nog niet heel ver gevorderd was. In 1871 kwam er een brief binnen bij de gemeente, geschreven door 26 Volendammers, waarin de Raad werd opgeroepen om de kermis te annuleren. In die tijd werd de kermis in juli gehouden. Deze Volendammers vonden het houden van deze kermis niet verantwoord. Er waren al meerdere mensen in Volendam gestorven aan de pokken.

‘Trijntje kreeg de
pokken in 1871
en moest daarom
verplicht in
quarantaine in
een zogenoemd ‘pesthuisje’
op de dijk’

Een van die slachtoffers was Trijntje Pooijer, getrouwd met Hein Tol. Toen Trijntje trouwde met Hein Tol had haar vader haar trouwjurk volgeplakt met gouden munten, uit trots. Daarmee kon haar man Hein zijn botter afbetalen. Trijntje en Hein kregen een kindje, maar hun geluk was niet van lange duur. Trijntje kreeg de pokken en moest daarom verplicht in quarantaine in een zogenoemd ‘pesthuisje’ op de dijk. Heel wat anders dan de huidige thuisquarantaine dus. Ze at daar, ze sliep daar en mocht de communie natuurlijk ook niet doen. Daarom bracht de pastoor de hostie naar het pesthuisje toe. Helaas hield Trijntje Pooijer het niet lang vol in het pesthuisje. Ze overleed. Deze verhalen veroorzaakten natuurlijk flinke paniek bij de dorpelingen, die niet wilden riskeren dat ze ziek werden.
De gemeenteraadsleden zagen het al voor zich. Allerlei kermisklanten zouden in juli 1871 naar Volendam en Edam komen. Kramen, tenten, en natuurlijk vele bezoekers. Ook van buiten het dorp. Dat kon nog wel eens rampzalig worden. Voorkomen moest worden dat ‘vreemdelingen’ hun ‘smetstof’ zouden overbrengen op de ‘dicht bij elkaar wonende bevolking’. Nadat verschillende argumenten over en weer werden opgeworpen concludeerde de burgemeester na het debat dat ‘al wat de naam kermisreizigers droeg’ moest worden geweerd. Met andere woorden: geen kermis dat jaar.
De bevolking zal gebaald hebben, maar moesten zich erbij neerleggen. Ze snapten de ernst ook wel. Ze waren niet vergeten dat ruim 70 Volendammers nog niet zo lang daarvoor, in 1866, door de ziekte cholera waren overleden. En dat was een groot deel van de lokale bevolking, als je in het achterhoofd houdt dat Volendam aan het begin van de 19e eeuw nog zo’n 900 inwoners had.
De kermis kent dus een hobbelig bestaan. De Volendammers dachten eind 19e eeuw het ergste gehad te hebben. Pokken hadden ze overleefd, de cholera-uitbraak van 1866 ook. Er waren rond 1890 waterpompen aangelegd die water uit de grond konden pompen, waardoor Volendammers relatief schoon hun vaat konden wassen. Daarvoor deden ze dat in de sloot. En die sloot was multifunctioneel, want daar werden ook de potjes in geleegd met uitwerpselen. De sloten van Volendam werden door toeristen wel eens mooi beschreven: “De kleur van het slootwater was lichtpaars en werd afgewisseld met een schuimige, witte drab en de indringende geur was misselijkmakend.” Niet zo fris.
Toch werd, ondanks de nieuwe waterpompen, ook in 1892 nog flink gediscussieerd over de kermis. In Hamburg was er cholera uitgebroken, en burgemeester Calkoen had niet zo’n zin in een herhaling van de chaos van 1866. Hij stelde daarom voor: we slaan de kermis maar weer een keer over.

‘Een aantal raadsleden
zag het niet zo zitten dat
de middenstand en
de bevolking moest
bloeden voor iets dat
nog zo ver weg was’

Daar hadden de gemeenteraadsleden niet zo’n zin in. Het kan wel weer een keer, moeten ze gedacht hebben. Er ontstond een flinke discussie in de raad. Een aantal raadsleden, zoals dhr. J. de Boer zag het niet zo zitten dat de middenstand en de bevolking moest bloeden voor iets dat nog zo ver weg was. Hij wees er ook even op dat het op de spoorwegen nog een drukte van jewelste was. Als dat kan, dan kan de kermis toch ook gewoon doorgaan?
Raadslid Wilterdink vond dit geen goed argument en wees hem er fijntjes op dat een directie van een openbaar vervoersbedrijf toch echt niet te vergelijken is met ‘het hoofd eener gemeente’. Een compromis werd voorgesteld door zijn college Plas, die graag de kermis zag doorgaan. Hij stelde voor dat de bezoekers een ‘bewijs’ moesten kunnen laten zien dat ze niet uit ‘eene gemeente komen waar eene besmettelijke ziekte heerscht’. Zijn tegenstander Wilterdink vond dat onrealistisch. Je kunt niet iedereen controleren, stelde hij vast. En al zou je dat kunnen, ook het in quarantaine stellen van besmette mensen brengt grote nadelen met zich mee.
Burgemeester Calkoen hoorde de discussie aan, probeerde nog één keer om zijn punt duidelijk te maken en de kermis dat jaar te annuleren. Hij voegde er nog even een extra argument aan toe: ‘Want een kermis is eigenlijk altijd een aanslag op de volksgezondheid.’ Sommige dingen zijn niet veranderd.
Uiteindelijk wordt er gestemd en blijkt een meerderheid ervoor te zijn om de kermis wél te laten doorgaan. Kermisdiscussies zijn van alle jaren. Gelukkig voor de voorstanders van kermis heeft de cholera dat jaar de kermis niet verstoord.
Toen ik oude kranten aan het lezen was uit dat jaar (1892), met daarin veel verontwaardigde burgers die stukjes schreven voor of tegen de kermis, viel me nog een mooie vergelijking met 2020 op. Op de voorpagina van de krant stond een groot artikel met de titel: “RUPSENPLAAG”. Talloze tips werden er gegeven om de plaag tegen te gaan, zoals het plaatsen van een bak met stroop en azijn. Houd een krant uit 1892 naast een krant uit 2020 en je kunt bijna het verschil niet meer merken. We houden ons in wezen nog steeds met hetzelfde bezig.
De discussies over het wel of niet doorgaan van de kermis vanwege besmettelijke ziekten, is dus ook al geen nieuw fenomeen. We kunnen onszelf dus geruststellen. Ook al balen we dat we dit jaar niet met z’n allen op de Dijk staan om het feest te vieren: onze voorouders hebben deze teleurstelling ook al meermalen moeten meemaken. Gedeelde smart is halve smart, zullen we maar zeggen.

Met veel dank aan het Waterlands Archief, Dick Bond en Louis Stroek van het Volendams Museum, Stichting Artist Kom Binne, Piet Koning zetten, schrijver van vele boeken over Volendam, waaronder ‘Waarheid en Roddel’, Jaap Buijs, oud-wethouder namens het CDA (schrijver van het mooie boek Zalige Kermis) en Jan Schilder (Vik).

 

 

|Doorsturen

Uw reactie