Algemeen

Hein Smit (mittes) en vrouw Ida:

Huiveringwekkende herinneringen en groot gezinsgeluk

Op 1 januari is het straks 20 jaar geleden dat Volendam breaking news was in Amerika (CNN) en Groot-Brittannië (BBC). Nederland raakte geschokt, omdat bar De Hemel in brand stond en tientallen feestvierende kinderen – van buiten en van binnen – verwond raakten. Veertien jongeren kwamen te overlijden, duizenden mensen waren betrokken. Families, vrienden, omwonenden, hulpverleners, ooggetuigen, velen raakten getraumatiseerd. Naast de vele drama’s bracht de nasleep van de Nieuwjaarsbrand ook onvoorstelbare veerkracht en verrassende, soms ontroerende, gebeurtennissen met zich mee in de twintig jaar daarna. De Nivo brengt een reeks verhalen met mensen uit die betrokken groep. Vandaag Hein Smit (mittes) en zijn vrouw Ida. Hein besloot, een week na de ramp, alles wat hem nog helder voor de geest stond, meteen van zich af te schrijven. De verhalen van de afgelopen weken lezende, haalde hij zijn eigen relaas weer boven water. ,,Onze jongens lazen dat voor het eerst, twintig jaar later. Dat kwam wel binnen.”
Door Eddy Veerman


,,Normaal gesproken was oudejaarsdag – samen met Kerst – de drukste dag van het jaar in onze viswinkel, maar omdat het die keer op zondag viel, waren we gesloten en dus best bijzonder”, kijkt Hein terug in de tijd. ,,We konden een keertje uitslapen en bij het ontwaken leek het een hele mooie winterse dag te worden.” Het was de laatste dag van het Volendam van vóór de Nieuwjaarsbrand. ’s Middags maakte het stel een wandeling over de dijk in winterse tooi: met sneeuw, ijs, vredig. Onwetend dat ze op weg waren naar een onheilspellende nacht, met huiveringwekkende herinneringen.
,,Halverwege de dijk maakten we een praatje met mijn broer Kees en zijn vrouw Wil en we vroegen hen mee te gaan een borreltje te drinken in ’t Havengat. We spraken over vroegere tijden en de toevalligheden die je wel eens tegenkomt in het leven. Best een leuk onderwerp op oudejaarsdag en in twee uurtjes haalden we leuke momenten van vroeger naar boven. Om vier uur gingen we met z’n viertjes richting het ziekenhuis, op bezoek bij mijn broer Wil en zijn vrouw Alice. Hun zoon Thomas lag daar opgenomen en met hem ging het niet zo best.”

Levensvreugde
Tegenwoordig rijdt Thomas in zijn scootmobiel door Volendam en is het één bonk levensvreugde, maar daar zag het destijds niet naar uit. ,,Hij lag aan slangen en allerlei apparatuur en na een half uur vertrokken we met een brok in de keel, denkend aan Wil en Alice, hoe verschrikkelijk dat moest zijn om je kind daar zo te zien liggen.”
Eenmaal thuis, troffen we dochter Mandy aan, zij zou gaan ‘voorzitten’ bij Kees Snoek. Oudste zoon Wesley was op vakantie in India en onze andere zoon Melvin was al op de dijk, om het jaar uit te luiden. Voordat Mandy de deur uit ging, wensten we haar veel plezier. ‘Maak er een mooie avond van’.” De deur van het huis in de oude kom was bijna dicht, toen hun dochter nog even omkeerde met een boodschap. ‘Ik hou van jullie’, zei ze. Nou, dat wisten we wel, alleen, ze zei het nooit. We vroegen of zij soms iets moest hebben of zo. ‘Nee’, zei ze, ‘ik mag toch wel zeggen dat ik van jullie hou, dus nogmaals: ik hou van jullie’. Met die woorden verliet zij ons huis.”
,,Tegen de avond kwam ze nog even terug en ik vroeg of ze naar de dijk ging. Het bleek dat haar vriendinnen inmiddels richting ‘t Hemeltje waren. Zelf had ze helemaal nog geen zin, ze had nog even zitten praten met de moeder van Kees Snoek. Daarna ging ze alsnog naar de dijk en wij melden ons bij Kees en Ineke Koning, waar we oudejaarsavond zouden zitten. De avond kwam wat moeizaam op gang, zo leek het wel. De wintersportvakantie kwam ter sprake, waarop Hilda opeens zei: ‘Ik heb zomaar het gevoel dat we nog niet weg zijn…’ Niemand ging daar eigenlijk op in.”
,,Rond half twaalf zat ik met Cor Jonk te praten en ging het gesprek over hoe moeilijk het ging in sommige gezinnen, door bepaald gedrag van kinderen. We vroegen ons af waar dat aan lag en ja, in de meeste gezinnen komt wel wat voor, bij de één erger dan de ander. Ik vertelde Cor dat het bij ons best wel goed ging. Onze kinderen mochten genieten van hun jeugdtijd, maar we maakten bijvoorbeeld wel de afspraak dat hoe gezellig het ook was zaterdagnacht en hoe vroeg of laat het ook was geworden, op zondagmorgen zaten we altijd samen aan het ontbijt. En zoals we altijd geïnteresseerd waren of het gezellig was geweest, vroegen we hen ook eerlijk te zijn over bepaalde dingen die spelen in de jeugdtijd. Later hebben de kinderen aangegeven dat ze het zo prettig vonden dat aan tafel alles bespreekbaar was. Die bewuste avond zei ik nog tegen Cor ‘het kan slechter’.”

‘‘Hein, help me’,
vroeg hij. Maar ik
moest – hoe hard
dat ook was –
doorlopen’

,,Meteen nadat met alle ouders elkaar Gelukkig Nieuwjaar hadden gewenst ‘en maak er wat moois van’, pakte ik mijn mobiele telefoon en belde Mandy. Ze nam gelijk op en zei dat ze Melvin zou gaan zoeken, naar buiten zou gaan en dan terugbellen. Dat gebeurde even later ook en vervolgens ging Mandy weer naar boven om ’t Hemeltje in te komen, Melvin bleef buiten nog even staan praten. Mandy raakte op de trap in gesprek met Yvonne Veerman en toen ze binnenkwamen gingen ze ieder hun weg. Haar barkruk bleek te zijn ingenomen door Christin Grossmann. Mandy liet het begaan en ging even naar een andere plek. Een paar minuten later ging het mis en brak de brand uit. En zowel Yvonne als Christine zouden komen te overlijden… Hoe kan het lopen…”, vallen de ouders even stil, denkend aan wat hun generatiegenoten hebben moeten doorstaan.
,,Wij hadden een kilometer verderop net gezellige muziek aan gezet, toen de telefoon van Ida ging en die liep naar buiten om het beter te kunnen horen wat werd gezegd. Ida beukte volledig in paniek op het raam en riep dat er brand in ’t Hemeltje was geweest en Mandy gewond in bar De Kakatoe lag. We hadden al behoorlijk wat alcohol genuttigd en Leslie Tol besloot ons richting de dijk te brengen. Op de Julianaweg zagen we al de nodige zwaailichten en toen sloeg de paniek bij mij ook toe. Eenmaal uitgestapt, rende ik de trap op naar De Kakatoe, onderweg kwamen we verbrande jongens en meisjes tegen. Waaronder Jerry Koning, zoon van vrienden van ons. ‘Hein, help me’, vroeg hij. Maar ik moest – hoe hard dat ook was – doorlopen, want ik móest naar Mandy.”
,,En daar lag ze, in een hoek bij de bar.” Ida: ,,Het bleek dat zij – achteraf gezien Godzijdank – door Henk Bootsman tussen de op elkaar liggende jongeren vandaan was gehaald en in de Kakatoe was gebracht. Daar werd zij door Jan Braan, die in die bar werkzaam was en EHBO-er is, gekoeld met lauw water. Ik keek om me heen en zag hoe anderen er aan toe waren. Gesmolten en verbrande poppen leken het, dan zag Mandy er in vergelijking met hen nog redelijk uit. Dachten we…”

Op het eerste gezicht
Hein: ,,Melvin, die in De Blokhut was begonnen, moest ook ergens zijn, dus ik besloot hem te gaan zoeken. Ida bleef bij Mandy, Leslie bij Jerry. Bij de uitgang van de Kakatoe stonden de ouders van Jerry, zij mochten niet meer naar binnen. Ik zei hen dat het er op het eerste gezicht wel redelijk uitzag. Achteraf bleek dat helemaal niet zo te zijn.”
,,Samen met Kees Koning zocht ik Melvin en wat we toen allemaal hebben gezien, is haast niet te beschrijven. Er werden nog steeds jongens en meiden uit ’t Hemeltje gedragen, dus er bekroop me een angstig gevoel dat hij daar ook nog kon zijn. Ik raakte bevangen door paniek en ben alleen nog maar zijn naam gaan schreeuwen. ‘Melvin, Melvin’. Er waren enkele mensen, zoals zijn nicht Afra Kes, die vertelden dat ze hem hadden gezien, dat hij nog leefde en dat het goed met hem ging. Toch stelde het mij niet gerust. Pas als je het met je eigen ogen ziet, ben je gerustgesteld. Overal waar ik riep, kreeg ik geen echo. In restaurant De Dijk zag ik alleen maar ellende, liep ik tussen de verbrande jongeren en noemde steeds zijn naam. Ik wilde hem zó graag vinden, maar tegelijkertijd hoopte ik hem niet daar aan te treffen, verbrand. Bij bar De Molen stonden mensen voor de deur en daar mochten we niet in.”
Uitgerekend daar bleek Melvin zich te hebben ontfermd over een meisje met ernstige brandwonden. Hij kende haar niet. Althans, dat dacht hij. Hein: ,,Het meisje klampte zich aan Melvin vast. Hij heeft haar gekoeld en geholpen, praatte met haar, tot het moment dat ze mee mocht met de ambulance. ‘Ik ben haar vriend’, zei Melvin, die haar niet alleen wilde laten. Ze gingen samen naar een ziekenhuis.”
Ondertussen liepen zijn vader en diens vriend door de straten. ,,Vlak naast De Kakatoe was een woning met drie etages, waar diverse getroffen jongeren werden geholpen. Op de bovenste verdieping stonden verbrande jongeren onder de douche. Op de trap kwam ik een vader tegen, die zijn twee zoons zocht. Hij zei dat hij ze niet had gevonden, toen er opeens een stem klonk: ‘Pa…’. Het bleek één van de twee zoons zei, die hij niet had herkend…”
,,Uiteindelijk ging en mocht ik De Kakatoe weer in, onder begeleiding van brandweerman René Mossel. Ik had mijn telefoon daar achter gelaten en die zocht ik. Ondertussen waren al diverse jongeren afgevoerd naar een ambulance. Charles Jonk, eigenaar van de Kakatoe, kwam naar ons toe en zag dat Mandy, als één van de eersten binnengebracht, er nog steeds was, maar ook koud werd. Hij gaf aan dat er een plek was vrij gekomen dicht bij de verwarming, zodat ze even op temperatuur kon komen.”

‘Ik kreeg een paniek-
en angstaanval.
Liep op de gang,
keihard te schreeuwen’

,,Vlak daarvoor had iemand nog gevraagd of Mandy alleen wat brandwonden aan haar nek en handen had, want dan konden we haar wel mee naar huis nemen. Gelukkig voor ons had Jan Braan zijn EHBO-diploma en hij zei dat Mandy de Kakatoe alleen per brancard mocht verlaten.”
Ida: ,,Op weg naar die plek bij de verwarming zag een hulpverlener dat Mandy het slecht had en gaf aan dat ze naar de Sigma-tent – een medische hulppost die vlak voor de Kakatoe was opgezet – mocht. Ouders mochten er niet bij, maar buiten op de dijk waaide een gure wind die het zó verschrikkelijk koud maakte, dat agenten aangaven dat het beter was de trap af te gaan en beneden te wachten. We kregen een foliedeken om ons heen en beneden zei een brandweerman dat we in de brandweerauto mochten wachten. Daar zat ik samen met onder meer de moeder van Melanie Klene. Opeens werd ik geroepen, het was al tegen vijf uur: Mandy was klaar om te worden vervoerd en ik mocht mee met de ambulance. De auto stopte nog even, omdat de broeder die naast me zat ook achterin ging zitten bij Mandy. ‘Ze gaat het toch wel redden?’, vroeg ik aan de ambulancebroeder achter het stuur. Hij probeerde me gerust te stellen.”
,,Eenmaal in Leiden, werd Mandy meteen weggereden en ik belandde eerst in een kamertje en belde met Hein, waarna me werd gevraagd of ik de moeder van Esther Binken was. Heb ik nog even aan diens bed – op de reguliere afdeling – gezeten en gebeld met Esthers moeder, zodat zij mee kon rijden met Hein. Daarna wachtte ik op een ander kamertje tot ik nieuws over Mandy hoorde. Een dokter kwam me vertellen dat ze naar intensive care werd gebracht. Ik schrok. ‘IC? Ze gaat toch niet dood?’, dacht ik hardop. De dokter zei, nogal cru: ‘Ja mevrouw, ze ligt hier niet voor niets. Ik kan er nog niks van zeggen’. Ik kreeg een paniek- en angstaanval. Liep op de gang, keihard te schreeuwen. Totdat ik even later bij haar mocht en toen werd ik rustig, ook al lag ze aan de beademing en was haar hoofd al behoorlijk opgezwollen.”

Spontaan
Hein was op dat moment onderweg om Melvin in de armen te sluiten. ,,Toen we bij de Kakatoe buiten stonden, vroeg ik aan een brandweerman waar ik informatie kon krijgen over vermiste personen. Hij vertelde mij dat het in Hotel Spaander te doen was. Op het moment dat ik die kant op zou lopen, kwam iemand uit De Kakatoe naar me toe, met de mededeling dat mijn telefoon was afgegaan en die had hij opgenomen. Het was Melvin, aan de andere kant van de lijn. Ik zakte spontaan door mijn hoeven. Hij vertelde dat hij in het Boven IJ-ziekenhuis zat, dat hij het zelf goed maakte, maar in een ambulance was gestapt met een totaal verbrand meisje.”
,,Ik rende naar mijn zus Jannig, die vlak naast ons woont in de Oranjestraat, om te kijken of iemand mij kon vervoeren. Ik heb nog nooit zo snel gelopen en het was glad op sommige delen van de straat, maar ik bleef overeind. Mijn zwager Thames was bereid met me naar Amsterdam te rijden. Daar aangekomen, was het onwerkelijk wat we aantroffen: overal waar je maar kon kijken, zag je verbrande jongeren. En daar zag ik Melvin zitten, in een kamertje, helemaal over zijn toeren. Een man die de eerste opvang regelde, stapte op me af en vroeg wie ik was. Toen ik dat vertelde, gaf hij me een briefje in handen. Daar stond de naam op van het meisje: Liesbeth Buijs. Hij vroeg of ik de mogelijkheid zag om de ouders te informeren over het lot van hun dochter. Op de terugweg spookten allerlei namen van mensen die ik kende met de achternaam Buijs door mijn hoofd. En ik heb er enkele gebeld, maar die hadden geen dochter genaamd Liesbeth.”
,,Bij het Schouw aangekomen, op de splitsing om naar Purmerend te gaan of Edam-Volendam, werden we tegengehouden, want alleen ambulances mochten af en aan rijden, voor het andere verkeer was die toegangsweg gesloten. Toen ik ons verhaal uitlegde, mocht ik doorrijden. We reden door naar Hotel Spaander, want daar was het crisiscentrum, zogezegd. Daar aangekomen, bleek er niemand te zijn. Wat grote woede opwekte bij Melvin, die in de wanhoop wat stoelen door de zaak smeet. We moesten het op de dijk proberen, liepen naar De Molen, maar daar stonden lijkenwagens voor de deur. Het was in de Pius X te doen, zei men, maar daar aangekomen gingen juist de deuren op slot.”

‘Melvin had nog woede
in zich en probeerde
zelfs met zijn hoofd
een tafel doormidden
te krijgen’

,,Dan maar kijken bij het gewondennest op het Europaplein, we waren inmiddels tot op het bot bevroren. Volledig buiten zinnen haalden we het portier van een politieauto open, stapten in en eisten dat ze ons naar het crisiscentrum zouden brengen. Dat bleek uiteindelijk in restaurant de Amvo te zijn. Aldaar waren lijsten aanwezig en toen we vroegen of de ouders van Liesbeth Buijs zich daar hadden gemeld, werd gezegd dat zij net weg waren en wisten waar hun dochter lag.”
,,Daar zittend, probeerden we met wat andere mensen een beetje op verhaal te komen. Dat lukte mij redelijk, maar Melvin absoluut niet. Die had nog woede in zich en probeerde zelfs met zijn hoofd een tafel doormidden te krijgen. Best begrijpelijk, want hij had zich enorm ingezet om slachtoffers uit die vreselijke hel vandaan te scheuren en daarbij heeft hij verschrikkelijke dingen meegemaakt. Samen met een ander slachtoffer heeft hij nog even uitgehuild en enige tijd later gingen we terug naar huis, wachtend op het telefoontje, dat ons zou vertellen waar Mandy naar toe was gebracht.”
,,Dat bleek dus in Leiden te zijn. Maar om dan weer iemand te vinden, met allemaal mensen die gedronken hadden, om ons daar naar toe te brengen, was niet gemakkelijk. Ik heb toen mijn collega Fred Schilder gebeld, waarvan ik wist dat hij een rustig avond had gehad. Hij bracht ons erheen. Toen we daar binnenkwamen, had ik nog steeds het gevoel dat het wel meeviel met Mandy en was ik eigenlijk blij met de situatie zoals die op dat moment was. “
,,Ik werd meegenomen naar ic, nog steeds niet beseffend dat het veel erger was dan het aanvankelijk leek. Ida en ik werden de kamer binnengebracht en zoals wij ’s middags neefje Thomas achterlieten in het ziekenhuis, zo lag onze dochter daar nu te vechten voor haar leven. Het bleek dat haar longen flink waren aangetast en daarom was het bij haar van binnen gaan opzwellen. Als je dat dan ziet, dan sterf je zelf ook een beetje…”

Koppie
,,Een paar uur later werden de eerste namen genoemd van jongeren die overleden waren. Melvin was bevriend met Rolf Zwarthoed (nonnie) en diens naam werd ook genoemd. ‘Rolf is dood, Rolf is dood…’, liep hij voortdurend verdrietig in het rond. Er ging zoveel in dat koppie om. In de loop van de volgende dag kregen we te horen welke dorpsgenoten nog meer in Leiden waren opgenomen en toen hoorden we, tot onze grote opluchting, de naam van Rolf.”
Toch kwam er nog een mededeling met de lading van een granaatinslag. Hein: ,,In de gesprekken die we hadden, vroeg Ida of het meisje, Liesbeth, soms het zusje van Melvins vriend Jack Buijs was. Dat kon niet, zei Melvin. ‘Die ken ik toch…’ Maar in de avonduren, toen Liesbeth stierf, kwamen we er achter dat het wel klopte…”
,,Later heeft hij nog met haar ouders gesproken, vertellend over de gesprekken die hij nog met Liesbeth had gehad, want Kees en Nel hadden niet meer met haar kunnen praten toen ze haar hadden gevonden.”
Ondertussen vertelden Hein en Ida niet alle details tegen hun vakantievierende zoon Wesley. ,,Hij was twee handen op één buik met zijn zusje, het was zijn Mandy. ‘Het komt allemaal goed’, zeiden we steeds en we vertelden niet hoe zij er bij lag. Zag hij in het vliegtuig het Journaal, kwamen twee vriendinnen van Mandy in beeld, vertellend dat ze kaarsjes voor haar brandden.”
,,Melvin en Mandy hadden het daarvoor regelmatig aan de stok met elkaar. Toen zijn zusje op ic lag, zei hij: ‘nu weet ik hoeveel ik om mijn zusje geef’. Melvin was duidelijk slachtoffer, heeft zijn zus gezocht, jongeren van de trap naar De Hemel gehaald, heel veel gezien en daarna zich over Liesbeth ontfermd. Maar Melvin wilde vooral niet als slachtoffer worden gezien.”

‘Wat de psychologen
ons toen al uitlegden,
klopte: af en toe gaat
het dekseltje van het
trommeltje open,
dan weer dicht’

Gelukkig voor het gezin, overleefde Mandy. ,,Een deel van een oor zou zij verliezen en twee vingers – naast de huidtransplantatie van brandwonden – maar dat hoefde gelukkig niet. Er werden Duitse doktoren ingevlogen en dat medische team in Leiden, waar een groep Volendammers lag opgenomen, heeft het echt héél goed aangepakt.” Ida: ,,Ik vroeg in het begin aan een verpleegster: hoe gaan jullie hier nou mee om? Ze gaf aan dat ze wel wat gewend waren. Maar toen Mandy na tien dagen van ic af mocht, zag ik bij haar ook een huilmomentje. Met de ouders onderling waren we echt een steun voor elkaar. Dat waren ook weer mooie momenten in ene verschrikkelijke tijd.”
Ida: ,,We zijn naderhand naar allerlei bijeenkomsten geweest en praatten er veel over. En wat de psychologen ons toen al uitlegden, klopte: af en toe gaat het dekseltje van het trommeltje open, dan weer dicht. Op die momenten dat het opengaat, is het goed om er over te praten. Ik deed dat destijds vooral met Ria, de moeder van Jerry Koning.”
Iets meer dan een jaar later sloeg de schrik het gezin Smit weer om het hart. Hein: ,,We waren op skivakantie en ’s middags namen we een drankje op het terras.” Opeens gebeurde weer iets wat je alleen in een film ziet. ,,Volendammer Herman Schilder was daar alleen, sloot bij ons aan en had net zijn filmcamera opgeborgen, toen we een helikopter op ons af zagen komen…”
De wieken van de heli, met daarin een gewonde vrouw die zojuist van de piste was gehaald, raakten een kabel en sloegen los. ,,Die wieken sloegen tegen de berg, maar de helikopter kwam onze kant op. Vlak bij onze tafel stonden de familieleden van die vrouw en op een paar meter afstand knalde de heli neer. Waarbij ze net drie gastanks misten, anders had een enorme explosie plaatsgevonden.”
Het drama was alsnog groot. ,,De vrouw en de bemanning overleefden het ongeluk niet. Bij Mandy sloeg de paniek toe, ze wilde zowat van de berg af rennen. Eigenlijk had ze daarna meer last van die gebeurtenis, omdat ze na de brand in ’t Hemeltje onder zeil is gebracht en minder kan herinneren.”

Rampspoed
Enkele jaren later was er weer rampspoed voor de jonge Mandy. Hein: ,,Het was op deze dag, 6 november. Mandy had haar vriendinnen uitgenodigd voor een feestje. Eén vriendin, Melanie, belde af, zei dat ze geen zin had. Een paar uur later bleek dat zij zelfmoord had gepleegd. Het drama hier in huis was gigantisch en het verdriet daarna bij Mandy ook.”
Hun jongste telg vond toch de weg naar het levensgeluk. Met een partner die ook in De Hemel was en twintig jaar terug gewond raakte: Jan Tol (kurk). ,,De ideale schoonzoon”, lacht Hein.
,,Een mooi stel”, knikt Ida. ,,Ik dacht dat ik er na de Nieuwjaarsbrand lang last van zou houden. In de eerste jaren was ik snel emotioneel, kon ik niks hebben. Toen dacht ik ‘dit gevoel gaat nooit meer weg’. Toch, als je dan ziet als ze er goed mee omgaan en het goed doen, helpt dat jou als ouder ook.” Hein: ,,Ik dacht echt dat er meer doden zouden vallen, na wat ik had gezien die nacht. In de tijd daarna dacht ik ook ‘dit gaat nooit meer voorbij’. Wij mogen ons erg gelukkig prijzen, maar vele andere ouders hebben veel verdriet gehad en hebben nog steeds confrontaties met de gevolgen van die nacht.”
Ook al gaat je kind er nóg zo goed mee om, een ouder went nooit aan de littekens van zijn of haar kind. Ida: ,,Ik vond al erg wat Mandy had, een lelijke plek op haar been, een wond in haar nek. Ze is beschadigd, zo dacht ik. Zag ik naderhand andere jongeren en dacht ik: ‘waar heb ik het over?’”
Hein: ,,Dat zie je elke keer als je je kind ziet. Ik vind het zo sterk dat die jongeren er zelf zo goed mee omgaan. Wij zien Lou Snoek regelmatig. Wat een mooi mens, wat een topper. Hoe zij allemaal in het leven staan, dat is écht bijzonder en had ik niet verwacht. Zij geven de buitenwereld zoveel kracht, daar kan iedereen een voorbeeld aan nemen.”

Geschenk
Ida zucht. ,,Twintig jaar…” Ze hebben genoeg beleefd. ,,En toch is het zo snel voorbij gegaan. Wesley heeft nu dezelfde leeftijd als dat ik ten tijde van de ramp had. Toen ik dat laatst zei, maakte dat ook wel een besef los. Onze kleinkinderen naderen dezelfde leeftijd als dat Liesbeth destijds had.”
Het gezin is heel hecht, inmiddels uitgebreid met zeven kleinkinderen en de achtste is op komst. ,,Ida: ,,Als het met de kinderen goed gaat, gaat het met ons ook goed.” Hein: ,,Ze zijn sindsdien heel goed met elkaar.”
Ida: ,,Sinds die nacht zijn we ons bewuster van alles. In de eerste jaren was de wintersport aan de ene kant beladen door wat er was gebeurd op die piste, maar het bracht ook elk jaar moois, omdat we dan écht samen waren, eerst zonder kleinkinderen en later gingen die ook telkens mee. Daar hebben we veel geluksmomenten gedeeld.” Hein: ,,Op donderdag komen ze ook wekelijks hier eten. Dat is echt een geschenk. De kinderen zijn erg goed voor ons en wij erg trots op hen.”

|Doorsturen

Uw reactie