Algemeen

De elfjarige Griet pelde ‘garn’ en ruilde aardappelschillen om te overleven

Mijmeren over oorlog, armoede en bevrijding

In het kader van 75 jaar bevrijding interviewt de Nivo-redactie mensen uit de gemeente die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt. Griet Jonk-Plat (91), weduwe van Max Jonk, herinnert zich nog de kleinste details van de verschrikkelijke tijd, die voor haar op elfjarige leeftijd begon. Ze groeide onder aan de dijk, in de Aalstraat, op in een gezin van acht kinderen. ,,We waren met vijf meisjes en drie jongens waarvan één jongere broer en ik nog leven”, zegt ze met een zucht. Griet lijkt over een fotografisch geheugen te beschikken. Bij naam en toenaam weet ze dorpsgenoten op te noemen die goed waren tijdens de oorlog, maar ook mensen die zich bij de Duitsers aansloten. ,,Na de oorlog werd daar niet moeilijk over gedaan”, herinnert ze zich. ,,Die mensen moesten ook eten, werd er dan gezegd.”
Door Kevin Mooijer

Op de tafel aan het Professor Klaas Steurplantsoen ligt een oude foto. Een vrolijke zwart-witfoto van een groep mensen in Volendammer klederdracht. ,,Dit waren de bewoners van de Aalstraat. Met hen ben ik opgegroeid”, zegt Griet voordat ze alle namen, achternamen en bijnamen van het dertigtal mensen opnoemt. Na de opsomming komt ze tot de trieste conclusie dat niet veel van de mensen op de foto nog in leven zijn. ,,Op deze leeftijd raak je alle generatiegenoten kwijt. Dat is niet erg gezellig als je het mij vraagt. En als je dan ook nog eens binnen moet blijven vanwege dat verdomde virus… Ergens doet deze crisis me weer aan de oorlog denken, niet alleen vanwege het binnen moeten blijven, maar ook dat de haven afgesloten werd. Tijdens de oorlog liet het volk zelf drie botters zinken om de haven te blokkeren en zo de Duitsers weg te houden. Een groot verschil tussen de oorlog en de huidige crisis is natuurlijk dat we het nu een stuk beter hebben. Ik hoop dat mensen zich dat realiseren.”

‘Een groot verschil
tussen de oorlog
en de huidige crisis,
is natuurlijk dat we
het nu een stuk
beter hebben.
Ik hoop dat mensen
zich dat realiseren’

Griet werd geboren op 7 februari 1929 en groeide op als dochter van de man met het eerste groot rijbewijs van Volendam. ,,Mijn vader reed met een vrachtwagentje op en neer naar Wieringen en IJmuiden om vis te halen voor de Volendamse venters. Die bracht hij vervolgens samen met de vis naar Amsterdam, zodat zij het daar met hun bakfietsen weer konden verkopen.”
De werkzaamheden van Griets vader gingen lange tijd goed, tot die bewuste nacht in mei 1940. ,,Mijn zeven broertjes en zusjes en ik lagen op bed. Er was amper genoeg ruimte voor twee kinderen, maar wij sliepen er met z’n achten.” Op de achtergrond klonken beangstigende geluiden. ,,We konden niet slapen. Aan één stuk door hoorden we zware ronkende geluiden boven ons. We hadden geen flauw idee wat het was.”
De kinderen liepen naar beneden, waar hun vader en moeder al in de huiskamer zaten. ,,Wat zijn al die geluiden, vader?” De bezorgde man deed zijn best om uit te leggen wat de Duitse vliegtuigen boven Volendam deden en wat het fenomeen oorlog omvatte. ,,Tijdens een oorlog maken landen ruzie met elkaar en vaak is het volkomen nutteloos. Onze jongens worden op de fiets tegen de tanks en vliegtuigen van de Duitsers hun dood ingestuurd.” Hij bleek over een vooruitziende blik te beschikken. Nederland hield het vijf dagen uit voor ze zich overgaven aan de nazi’s.
In Volendam werd niet gevochten, maar de gevolgen van de bezetting lieten niet lang op zich wachten. ,,Volendam was tijdens de oorlog te vergelijken met een derde wereldland.” De ernst is van Griets gezicht af te lezen. ,,We waren zó arm. Dat er destijds niet meer mensen zijn gestorven door de armoede en kou is een godswonder.”

‘We waren zó arm.
Dat er destijds
niet meer mensen
zijn gestorven door
de armoede en kou
is een godswonder’

De Volendamse graaft in haar geheugen en vindt het eerste effect van de bezetting op Volendam. ,,De dag nadat de Duitsers Nederland binnen waren gevallen zat de kerk in Volendam overvol. Om te bidden. Voor de deur van de Vincentius-kerk vormde zich een rij van tientallen meters met mensen die op hun beurt wachtten. Opeens liepen er Duitse soldaten door het dorp. Alles veranderde. Mensen konden niet meer aan het werk en hadden dus geen inkomen meer. Om de zoveel tijd werden er razzia’s georganiseerd om jonge jongens op te pakken en naar Duitsland te vervoeren om voor de nazi’s te werken. De Joodse mensen die fabrieken in Volendam runde, werden door de Duitsers zonder excuus opgepakt en naar concentratiekampen gebracht, waarna er nooit meer iets van ze werd vernomen. Het was een verschrikkelijke tijd.”
De inwoners van Volendam stonden machteloos tegenover de Duitse soldaten. ,,Ik weet nog dat mijn buurvrouw samen met haar man op haar stoepje zat toen er een groepje Duitse soldaten voorbij liep. Eén van de soldaten draaide zich om en liep naar de buurvrouw toe. Toen hij voor haar stond, pakte hij haar borst. Hij betastte haar waar haar man bij stond. De buurman werd woedend, ‘blijf met je poten van mijn vrouw af!’, riep hij. Gelukkig kon zijn vrouw hem kalmeren. Iedereen was werkelijk doodsbang. Die gasten konden doen wat ze wilden. Als je iets deed dat ze niet aanstond, dan kreeg je de kogel.”
Om te voorkomen dat Engelse soldaten vanuit hun vliegtuigen konden spotten waar de Duitsers zich precies bevonden, moesten alle ramen van Volendamse woningen ’s avonds afgeplakt worden met zwarte stof. ,,Op een avond, het was heel laat, werd er hard op de deur gebeukt. Zo hard, dat je wist dat het niet goed zat. We verstopten ons direct. Mijn vader deed de deur open. De deur ging open en we hoorden schreeuwende Duitse stemmen. Niet veel later ging de deur weer dicht. Er bleek een stukje raam niet helemaal goed te zijn afgedekt met zwart doek. Om zoiets kleins gingen ze al over de rooie.”

‘Het was tussen
de veertien en
twintig graden
onder nul.
We hadden geen
wateraansluiting,
geen wc en natuurlijk
geen elektra’

Toen de winter van 1940 aanbrak, kregen de Volendammers het zwaarder dan ze ooit hadden verwacht. ,,Het was tussen de veertien en twintig graden onder nul. We hadden geen wateraansluiting, geen wc en natuurlijk geen elektra. Vanwege de extreme kou was alles bevroren. Als we een emmer water hadden, bestond de inhoud van de emmer binnen de kortste keren uit ijs. Kleding spoelen deden we in de haven.”
De armoede resulteerde in grote problemen voor de gemeenschap. ,,Het was een nare tijd. Wij waren een redelijk traditioneel gezin, eigenlijk waren we voor Volendamse begrippen nog een klein gezin met onze acht broertjes en zusjes. Iedere ochtend om 6.15 uur werden we gewekt om ‘garn’ te pellen. Al die kleine vingertjes pellen in de kou. Met z’n allen aan dezelfde tafel, met slechts één kacheltje in huis. Voor iedere 40 ons gepelde garnalen kreeg je een gulden. Je vader en moeder dus. Niet de kinderen zelf uiteraard.” Hoe langer de oorlog duurde, hoe moeilijker het werd om aan garnalen te komen. ,,Het werd op een gegeven moment zo erg, dat mensen op de vuist gingen om aan de garn te komen. Er kwam al minder naar Volendam en dus werden mensen agressief. Vreselijk.”
Van de ouders uit de grote gezinnen werd veel gevraagd. ,,Ze moesten zich aanpassen aan de situatie. De moeders die de gezinnen in die tijd draaiende hebben gehouden, verdienen naar mijn mening allemaal een standbeeld. Als je met zo weinig middelen toch al je kinderen gezond weet op te voeden, dan ben je een heldin.” Alles dat men gewend was uit het gebruikelijke leven lag stil. ,,Er werd geen kleding meer gemaakt, er kwam geen voedsel meer naar Volendam, alles was stopgezet door de nazi’s. Het grootste probleem dat de mensen hadden met de kledingstop, was dat de kinderen gewoon doorgroeiden. Ze ontgroeiden hun kleding. Wat wij daar als meisjes aan deden was van oude lakens kleding maken. Mijn moeder verfde het dan weer blauw, waardoor het mooi aansloot bij onze klederdracht.”
Om aan eten te komen trokken Volendammers vaak richting de Purmer. ,,Daar zaten natuurlijk veel boeren. Met mijn broertjes en zusjes zocht ik naar rogge op het land. Onze moeder zeefde de rogge dan in een laken om de bloem eruit te halen. Daar maakte ze vervolgens weer brood van.” Ondanks deze methode was veel improvisatievermogen vereist, was aan drinken komen een nog grotere uitdaging voor de Volendammer bevolking. ,,We dronken – als het niet al bevroren was - stilstaand regenwater uit de put. Dan praat je over ziektes: dat we daar niet allemaal aan zijn gestorven, is mij een raadsel.”
Bij hoge uitzondering wist de familie Jonk aan een fles melk te komen. ,,Van diezelfde boeren waar we de achtergebleven rogge van mochten oppakken, kregen we ook wel eens aardappels mee. De schillen van de aardappels waren voor ons heel waardevol. We kregen namelijk voor een emmer aardappelschillen een fles melk bij de boeren.”
Griet zucht: ,,Ik weet nog goed dat mijn zusje en ik allebei een emmer aardappelschillen inleverden. We kregen allebei een fles melk nadat we de boer wijsgemaakt hadden dat we buurmeisjes waren in plaats van zusjes, je kreeg per familie namelijk hooguit één fles melk mee. De flessen met melk waren ons zo dierbaar, die beschermden we met ons leven. Onze moeder was zo gelukkig met de flessen. ‘Vanavond eten we gortepap’, zei ze. Het hele gezin was in feeststemming met de delicatesse in het vooruitzicht. Eindelijk hadden we iets om naar uit te kijken.” Griets moeder ging aan de slag. ,,Ze maakte een grote pan met gortepap. Het rook heerlijk. We konden niet wachten tot we het op zouden kunnen eten. Na de bereiding werd de pan met pap nog even weggezet om af te koelen. Opeens hoorden we onze moeder huilen. Boven de pan met pap had op een plank een stuk zeep gelegen. Door de hitte van de pap was de zeep gesmolten en in de pan gedropen. We aten die avond niet…”

‘De moeders die
de gezinnen in
die tijd draaiende
hebben gehouden,
verdienen naar mijn
mening allemaal
een standbeeld’

Sommige mensen hadden niet de veerkracht om met de extreme situatie om te gaan. ,,Er waren Volendammers die zich aansloten bij de NSB. Ik kan er zo tien opnoemen. Gelukkig waren er ook genoeg mensen die juist in het verzet zaten en de bevolking waarschuwden als er bijvoorbeeld weer eens een razzia onze kant opkwam.” Een andere vorm van opgeven vond Griet dichter bij huis. ,,Onze achterstraat grensde aan de achterstraat van een gezin dat op de dijk woonde. Wij keken zo op de eettafel bij ze en mijn moeder en de moeder van dat gezin deden vaak samen de was op de achterstraat.”
De directe buren van Griet hadden een grote kat. ,,Een gigantisch beest dat altijd gezellig door de buurt liep. Hij hoorde echt in het straatbeeld. Op een gegeven moment was de kat weggelopen, we hoorden de buurvrouw al drie dagen roepen naar hem, maar hij kwam niet terug.” Na de derde dag zoeken, deed Griets moeder de was alleen. ,,Toen mijn moeder het huis weer inkwam zei ze: ‘de achterburen hadden denk ik een witte raaf, ze zaten met hele gezin royaal te eten’. De volgende dag deden ze weer samen de was. Mijn moeder vroeg ‘hadden jullie een meevaller gister?’ De achterbuurvrouw viel stil en schaamde zich zichtbaar. Ze biechtte op dat ze de kat geslacht had en hem aan haar kinderen had gevoerd. Pas jaren later kwam de buurvrouw waar de kat van was dit te weten. De wanhoop ten tijde van oorlog was buitengewoon.”
In de lente van 1945 werd Volendam bevrijd. ,,Ik weet het nog als de dag van gisteren. Oude Jan Kes stond in zijn blauwe onderbroek op de dijk te schreeuwen: ‘we binne bevrijd! We binne bevrijd!’ Zo ontdekten we dat de oorlog afgelopen was. De twee volgende dagen was het groot feest in Volendam. Op het Spoorplein werd een beun gebouwd waar we twee dagen op de muziek van Thoom Dekker hebben staan dansen. Keer op keer speelden Thoom en zijn band het liedje in the mood en het ging maar niet vervelen.”
Waar het grootste deel van de bevolking feest stond te vieren, werd het overige deel van de bevolking opgepakt. ,,De NSB’ers werden gearresteerd en vastgezet. Hun huizen gingen vervolgens weer naar de jonge jongens uit het verzet. Wanneer ze hun tijd in de gevangenis hadden uitgezeten, kwamen ze terug de maatschappij in. Je zou zeggen dat ze met de nek werden aangekeken, maar mensen zeiden ‘die mensen moesten ook eten, het is niet anders’. Volendammers waren niet zo moeilijk.”

 

|Doorsturen

Uw reactie