Algemeen

Oudste man van Volendam haalt herinneringen op uit de oorlog

Ondergedoken, verraden en bevrijd

Vorige week was in de Nivo het indrukwekkende verhaal van Jan Kemper te lezen. Jan noemde Hein ‘Schemeravond’ Kwakman als bron van één van zijn oorlogsverhalen. Hein Schemeravond is met zijn 96 jaar onderhand de oudste man in Volendam en was bijna zestien toen de nazi’s Nederland binnenvielen. De Nivo is van harte welkom, maar Hein spreekt bij voorbaat zijn twijfels uit over zijn geheugen, wat betreft details van ruim 80 jaar geleden. Wel is direct duidelijk dat de oude Volendammer een hoop heeft meegemaakt tijdens de bezetting. ,,Ik heb ondergedoken gezeten, ben verraden en stond in nauw contact met mensen van het verzet.” Tijdens Heins verhalen wordt al gauw duidelijk dat het met zijn geheugen wel goed zit.
Door Kevin Mooijer

Het is vrijdagmorgen in Volendam. Aan de achtertafel in de bovenwoning van het Kloosterhof zit Hein ‘Schemeravond’ Kwakman. In zijn schoot staat een grote pan en voor hem, op tafel, ligt een berg sperziebonen. Hein was alvast begonnen met de voorbereidingen op zijn avondeten. ,,Ik ben de oudste man van Volendam”, begint hij.

,,Dus niet de oudste Volendammer, want er woont een Volendammer die ouder is dan ik in Edam. Maar in Volendam ben ik de oudste.” Hein is naar zijn bap vernoemd, die de bijnaam Schemeravond destijds heeft verdiend. Maar waarom kreeg hij deze merkwaardige bijnaam precies? Hein kijkt bedenkelijk: ,,Dat weet geen mens. Ik weet alleen dat ik naar hem vernoemd ben.” Een bron dichter bij het vuur dan de kleinzoon van de eerste Hein Schemeravond bestaat niet. De reden achter de bijnaam is door Heins bap waarschijnlijk mee het graf ingenomen.
Onderwijl hij vakkundig zijn sperziebonen snijdt, vertelt Hein wat hem nog bijstaat van de Tweede Wereldoorlog. ,,Nadat ik van de ambachtsschool kwam ging ik als timmerman aan het werk in een werkplaats aan de Kathammerstraat. Tijdens de oorlog ging dat werk gewoon door.”
Als kind met negen broers en zussen woonde Hein tijdens de eerste jaren van de bezetting in de Kloosterbuurt, waar zich nu het Kloosterhof bevindt. ,,Nu is alles dicht gebouwd. In die tijd keek je uit ons raam tegen Edam op.” Hun vader, Kees Schemeravond Kwakman, zagen ze niet vaak. ,,Hij was pulenboer en had weinig tijd voor andere zaken dan zijn werk. Alles dat met die eenden te maken had, was zijn taak. Hij timmerde de pulenhokken, haalde met een loopwagen het voer van de dijk, vervolgens voerde hij de pulen en zijn dag begon steevast met eierenrapen. Vanwege zijn extreme werktijden was hij niet vaak thuis.”

Ondergedoken
Tijdens de eerste jaren van de oorlog heeft Hein weinig last ervaren van de oorlog. ,,Voor ons werd het eigenlijk pas link in 1943, toen de razzia’s begonnen.” De Volendammer was toen negentien en liep door zijn leeftijd risico gearresteerd te worden. ,,Ze zochten naar jonge mannen om naar de Duitse werkkampen te sturen. Veel jongens die daarnaartoe werden gestuurd, zag je nooit meer terug. En als ze wel terugkwamen, hadden ze vaak geestelijke schade opgelopen. Dat zag ik niet zitten, dus heb ik jarenlang ondergedoken gezeten.”
Tijdens zijn jeugd was Hein misdienaar voor de Vincentiuskerk. ,,Zes dagen per week moest ik de kaarsjes aansteken in de kerk. Op zondag kon de pastoor het zelf, dan kreeg ik vrij”, lacht hij. ,,Ik weet nog dat ik op een zomerse dag in 1943 om 6 uur ’s ochtends richting de Oude Kerk liep. Ik was nog niet ver van huis en liep nog in de Kloosterbuurt, toen een twintigtal Duitse soldaten de hoek om kwam lopen. Ik keek om me heen en kon geen kant op. Als ik zou gaan rennen zouden ze achter me aankomen. Ik besloot door te lopen in hun richting.” Eenmaal dichtbij gekomen, hielden de soldaten Hein staande. ,,Ze vroegen waar ze het klooster konden vinden. Ik wees ze direct in de juiste richting en liep snel door voor ze om mijn papieren – die ik natuurlijk niet had – zouden vragen. Voor mijn gevoel had ik het van de dood gehaald. Als ze zouden ontdekken wat mijn leeftijd was én dat ik geen papieren had, zou ik naar een Duits werkkamp gestuurd worden.” Hein telde zijn zegeningen en vervolgde zijn tocht richting de kerk, waar hij als misdienaar werd verwacht.

,,Ik naderde de kerk en liep langs de toenmalige kerktuin richting de zijingang van de kerk. Toen ik de deur in beeld kreeg, kwam er weer een peloton Duitse soldaten de hoek omlopen. Weer kon ik geen kant op.” Deze Duitsers bleken een stuk agressiever dan die van even daarvoor. ,,Ze begonnen tegen me te schreeuwen, maar ik sprak geen woord Duits. De commandant van de soldaten sprak een paar woorden Nederlands. Hij schreeuwde dat ik mijn papieren moest laten zien, waarop ik aangaf deze niet te hebben. ‘Als je geen papieren hebt, arresteren we je’, zei hij.” Hein beeldde zich in wat de gevolgen daarvan zouden zijn. ,,Een werkkamp van de Duitsers, waarin je het risico loopt nooit meer terug te keren. Ik ben nooit meer zo bang geweest als op dat moment. Tussen de groep soldaten zag ik een aantal NSB’ers. Ik keek de commandant aan en zei dat ik geen tijd had voor arrestaties omdat de pastoor op me wachtte. De mis was ten slotte al begonnen.”

‘Ik moest door
het luik naar
beneden afdalen.
Wat ik daar aantrof,
zal ik nooit vergeten.
Ik werd aangekeken
door zo’n dertig
Volendammer jongens
van mijn leeftijd’

De commandant liep dichter naar de doodsbange, jonge Volendammer. ,,Ik stond letterlijk te trillen op mijn benen. Hij gaf me een harde schop en riep iets in het Duits dat neerkwam op dat ik op moest rotten. De NSB’ers in de groep waren het niet eens met de commandant, maar daar wachtte ik niet op. Ik vloog de kerk in en rende naar het altaar, waar ik de mis in mijn normale kleding heb afgemaakt.”
Van alle angst die Hein had doorstaan, moest hij heel nodig naar de wc. ,,Er woonde tijdelijk een pater in de pastorie die altijd op blote benen liep. Hij nam me mee naar de pastorie waar ik gebruik van het toilet kon maken. Er zou niemand in de pastorie zijn, maar toen ik in de gang liep, hoorde ik de wc doortrekken. Uit schrik verstopte ik me en zag dat er een Duitse soldaat van de wc kwam.” De Duitsers waren bezig met een razzia en de pastorie ging daar niet aan voorbij. ,,Als hij me zou zien, zou ik waarschijnlijk meegenomen worden, dus ik maakte dat ik wegkwam.” Opnieuw zocht Hein zijn toevlucht in de kerk, waar inmiddels de volgende mis al was begonnen.
,,Ik schoof weer aan op het altaar en hoopte dat de Duitsers de kerk niet zouden binnenkomen. Angstig hield ik alle deuren van de kerk in de gaten. Het voelde als de langste mis die ooit gegeven werd.” Na verloop van tijd had de mis zijn eindpunt bereikt, maar dat betekende niet dat het gevaar geweken was voor een jonge man als Hein. ,,Ik verstopte me op het altaar en was van plan te wachten tot het weer veiliger voelde om de straat op te gaan. Opeens kwam ‘de blote-benen-pater’ aanlopen. Hij zag me en kwam naar me toe. Ik moest met hem meekomen naar de pastorie.” De laatste keer dat Hein in de pastorie was geweest, werd het onderzocht door Duitse soldaten. Uit wanhoop en angst besloot hij de pater te vertrouwen. ,,Aangekomen bij de pastorie trok hij een geheim luik open. Ik moest door het luik naar beneden afdalen. Wat ik daar aantrof, zal ik nooit vergeten. Ik werd aangekeken door zo’n dertig Volendammer jongens van mijn leeftijd. In de zomer van 1943 zat bijna mijn hele schoolklas onder de vloer van de pastorie ondergedoken.” De blote-benen-pater bleek een held.
Na een paar uur ondergedoken te hebben gezeten kwam Willempie de Slager – voor de jongeren onder ons het beste bekend uit het Volendammer Volkslied van de Dekkerband – met een aangename verrassing. ,,Hij bracht een gigantische ketel met soep. De dochter van de slager werkte in de pastorie, zo wist hij dat wij daar onder de vloer verscholen zaten.” Toen de kust weer enigszins veilig was, besloot Hein het erop te wagen. ,,Ik vluchtte weer naar mijn ouderlijk huis. Wat moest ik anders?”

Verraden
De volgende morgen ging Hein, alsof er niks gebeurd was, weer naar zijn werk. ,,Ik werkte tot 1943 als timmerman. Mijn werkgever kwam die ochtend naar me toe en zei: ‘Kwakman, ik heb je aangegeven bij de Duitsers. Ik ga niet voor jou naar de gevangenis.’ Ik wist niet wat me overkwam. Mijn baas had me verraden. Ik bedankte hem voor zijn dapperheid en zei dat we elkaar daar op dat moment voor het laatst zouden zien.” Niet veel later vond Hein werk als timmerman bij de meubelmakerij van Arnold Mühren. ,,Arnolds vader was hoofdmeester van de Jozefschool en was lid van een onderduikersbeweging. De meubelmakerij bevond zich een stukje van die school af, in de Conijnstraat. Eén van de eerste dingen die we maakten, was een schuilplaats bovenin de school. Een geheime kamer boven het kantoortje van de hoofdmeester. Als de Duitsers onze kant op zouden komen zouden we daar zo naartoe kunnen vluchten.”

Hoe verder de oorlog vorderde, hoe groter het risico werd voor Hein om bij zijn ouders thuis te slapen. ,,Als de Duitsers me daar zouden oppakken, zou mijn hele familie gestraft worden, dus ik moest een ander onderkomen vinden. Arnolds vader bood me de zolder bij hem thuis aan als onderkomen. Ik maakte er natuurlijk graag gebruik van, maar ontdekte al gauw dat ik geen kant op zou kunnen als er weer razzia’s georganiseerd zouden worden. Uiteindelijk heb ik er dus maar een paar nachten geslapen.”
Hein stond ermee op en ging ermee naar bed. ,,Ik moest en zou een geschikte plek vinden waar ik de nacht door kon brengen. Ik besprak mijn situatie met goede vriend Cas van Piet Cas. Hij hoorde mijn verhaal aan en stelde voor dat ik mijn intrek boven zijn elektrawerkplaats zou nemen. Ik was verschrikkelijk dankbaar.” Het zoldertje bleek een zeer geschikte plek om voor een langere tijd onder te duiken. ,,Ik trof bij binnenkomst één klein probleempje: de hele kamer stond afgeladen vol met geweren. Cas was lid van het verzet en een knokploeg, maar daar kwam ik pas achter toen ik voor het eerst de zolder opliep.” Desondanks besloot Hein het risico voor lief te nemen en te blijven. ,,Daar ben ik iedere nacht, tot de bevrijding, gebleven.”

‘Ik trof bij
binnenkomst één
klein probleempje:
de hele kamer stond
afgeladen vol
met geweren. Cas was
lid van het verzet
en een knokploeg’

Toen de Duitsers de oorlog hadden verloren veranderde het leven voor jonge mannen in Volendam drastisch. ,,We konden weer vrij over straat. Ik was jarenlang bang geweest en moest altijd rekening houden met nazi’s en verraders, dus er viel een enorme last van mijn schouders. Het was een onbeschrijfelijk gevoel.”
De daaropvolgende 25 jaar spendeerde Hein als meubelmaker. ,,Alle meubels die je hier ziet staan heb ik zelf gemaakt”, zegt hij trots. ,,Na het werk maakte ik ’s avonds meubels voor ons eigen huisje. Ze gaan al een jaar of zeventig mee, dus aan de kwaliteit ligt het niet”, lacht Hein. Op den duur ontdekte de Volendammer een verborgen talent dat hij bezat. ,,Ik had een sieradenkistje voor mijn vrouw Antje gemaakt. Het was een mooi kistje, maar toen het klaar was vond ik het er zo saai uitzien. Op de bovenkant van het kistje begon ik wat te tekenen.”
,,Eenmaal tevreden met het resultaat, kerfde ik de tekening uit met een mesje.” Dit bleek de finishing touch. ,,Het werd een klein kunstwerkje waar Antje heel blij mee was en waar ik nog steeds trots op ben.” Hein en Antje waren tot voor kort het langst getrouwde echtpaar van Volendam. ,,We waren 70 jaar getrouwd en hebben vijf kinderen. Tijdens de oorlog hadden we al verkering, dus we waren zelfs meer dan 70 jaar samen.” Eind vorig jaar, op 31 december, kwam Antje te overlijden in hun woning in het Kloosterhof. Hein zucht: ,,Daar ben ik nog lang niet overheen en dat zal ook nooit gebeuren.”

 

|Doorsturen

Uw reactie