Algemeen

25 jaar na de bekerfinale tegen Feyenoord in De Kuip

‘Tot dat moment…’

Afgelopen maandag was het 25 jaar geleden: FC Volendam in de bekerfinale. Een zeldzaamheid, het was pas de tweede keer in de historie. Op 25 mei 1995, een dag nadat Ajax de Champions League won, was Feyenoord de tegenstander in De Kuip. Het halve Volendam liep uit. 44 bussen vertrokken ’s middags naar Rotterdam en ze werden op de Julianaweg uitgezwaaid door de thuisblijvers. Een oranje-invasie van 7000 supporters volgde en in het hol van de leeuw begonnen ze na de gelijkmaker opeens hardop te dromen van Europees voetbal. Totdat één van de steunpilaren – keeper Edwin Zoetebier – het veld geblesseerd moest verlaten. FC Volendam raakte het momentum kwijt en tien minuten voor tijd werd Mike Obiku de held van Feyenoord. ,,We speelden bepaald geen sprankelend voetbal, maar haalden wel resultaat.”
Door Eddy Veerman

FC Volendam was in die tijd een stabiele eredivisionist. Eindigde in 1992 als dertiende, maar een seizoen later onder Fritz Korbach brutaal als zesde. Daarna twee keer, óók in het seizoen van de bekerfinale, als elfde. Drie dorpelingen – Tom Sier was net naar Heerenveen vertrokken en het grote talent Hans Bond was getroffen door blessureleed – speelden in de basis: Zoetebier, René Binken centraal achterin en middenvelder Johan Steur. De eerste twee duiken in het verleden.
Als generatiegenoten konden ze lezen en schrijven met elkaar in het veld, maar hadden het net zo gemakkelijk met elkaar aan de stok. Althans, zo leek het. René: ,,Hij heeft nooit met mij te maken gehad, hij kreeg namelijk geen bal op doel…” Edwin: ,,Het blijft een Binken…”
,,In de jeugd was ik nooit eerste keus. Ik zat altijd achter keeper Jan Runderkamp (worst) en later kwam Monnickendammer Eelco Zeinstra. Op een gegeven moment kwam ik er bij. Jan, die later verschrikkelijk genoeg een dodelijk auto-ongeluk kreeg, stopte.”

Over elkaar
Edwin: ,,Ik had René voor me, als centrale verdediger: hij was niet van de complimenten. Het eerste en enige compliment kreeg ik pas toen ik al bij de FC was vertrokken en bij het Engelse Sunderland keepte. Ik was enkele dagen over, met dien verstande dat ik dan wel meetrainde bij de FC. Mijn schoonvader Dick de Boer was trainer en ik probeerde de toenmalige keepers te helpen. Zei René zachtjes ‘Zoet, ga jij even in doel, want dan kan ik eindelijk weer serieus de bal terugschieten’. Het mooiste compliment wat ik ooit kon krijgen.” René: ,,Zoals wij met elkaar omgingen, dat bestaat niet meer. Maar het werkte wel. Wij kenden elkaar zó goed, dan zeg je wel eens rake dingen tegen elkaar, omdat je weet van elkaar dat je dat kunt hebben. Noem het bekvechten, maar dat was geen ruzie. Tijdens de training liet ik ook wel eens een ploeggenoot gemakkelijk voorbij gaan, zodat-ie alleen op Edwin af kon. Dan was-ie woest en lagen wij met z’n allen in een deuk.”
,,Maar Edwin kon wel eens uitflippen op medespelers, daar kon niet iedereen mee omgaan.” Edwin: ,,Dat heb ik moeten afleren. Ik had lange tijd het idee dat ik een heel seizoen de nul kon houden… En als jongens de afspraak niet na kwamen, dan schoot ik uit mijn slof, op dát moment, in plaats van in de rust of na de wedstrijd. Camera erop en zo bleef het me achtervolgen. Ik was jong. De laatste seizoenen bij Volendam was ik rustiger.”

‘‘Alsof ik al jaren
met hem samenspeel’,
zei de huidige bondscoach
over René’

René was een moderne verdediger. Edwin, tegenwoordig keeperstrainer van de FC: ,,Ik zei laatst nog in de kleedkamer met de trainers van de FC dat ik nog steeds niet snap waarom René nooit de stap heeft gemaakt naar een grote eredivisieclub. Ik weet nog dat we vlak na de Nieuwjaarsbrand ‘De Wedstrijd van Verbondenheid’ speelde, met mannen als Van Basten, Rijkaard en ook de huidige bondscoach, Ronald Koeman. Koeman was toen trainer van Vitesse. René was destijds net gestopt. Hij speelde die speciale wedstrijd in het centrum met Koeman en die kwam later naar me toe: ‘Alsof ik al jaren met hem samenspeel’, zei hij. Ik zei nog tegen Koeman ‘haal ‘m op’. René was snel, technisch, tweebenig, als hij opkwam met de bal, dan boezemde hij de tegenstander angst in, dan gebeurde er wat.”
René: ,,Ik deed er zelf niks aan om weg te komen. Was bezig met voetbal, want dat vond ik leuk, niet met zaakwaarnemers. In de tijd dat we als negentienjarigen bij het Olympisch Elftal zaten, had PSV interesse. Die kozen vervolgens ervaren spelers.” In de halve finale van de beker, uit tegen FC Utrecht, stoomde Binken ook op en leidde na een individuele actie de uiteindelijke 0-1 in. ,,Dat was mijn kracht. Ik kón opkomen, omdat er goede verdedigers waren die het in de ruimte achter me eventueel konden opvangen. Als ik afgelopen seizoen Gijs Smal als FC-linksback mee naar voren zag gaan, dat kon omdat Micky van de Ven – dat is een eenmansleger – het voor hem oplost als er balverlies was.”
,,Later hadden wij André Stafleu als trainer en die zei dat ik de bal snel moest inleveren. Dan haal je mijn kracht weg. Zoals ik onder Bert Jacobs ook de rommel op moest ruimen van een ander, in plaats van dat mijn kwaliteiten werden benut. In dat seizoen van de bekerfinale hadden we onder trainer Wim Rijsbergen een afwachtende en verdedigende speelstijl. Als we daar in het begin geen resultaat mee hadden behaald, waren spelers en publiek gaan morren, maar het bleek succesvol en bracht ons zelfs in de bekerfinale.” Edwin: ,,We leunden vooral op de verdediging.”

Volendamse inbreng
,,Vanaf 1990 hadden wij echt hele goede voetballers. Toch eindigden we niet echt hoog.” Qua Volendamse inbreng werd het steeds minder. René: ,,Ronald Bond, Patrick Leeflang, Paul Schilder en Rogier Hoogland zaten er geruime tijd bij als jonkies. Alleen Patrick zou later speeltijd krijgen. Hans Bond had een knie-operatie gehad en werd na zijn herstel door de negatieve houding van toenmalig trainer Wim Rijsbergen mentaal gebroken.”
,,Aan die eerste periode bewaar ik de mooiste herinneringen. In die eerste jaren ging het om voetbal, niet om geld en er was dus ook geen jaloezie. Dat zou later veranderen. Er gebeurden allerlei rare dingen binnen de club, er kwamen jongetjes van buiten die meteen een auto eisten en toen de club bijna failliet was, vertikten jongens het om geld in te leveren. Dan blokkeer ik. Hoe het toen ging, was tegen mijn natuur in. De maatschappij veranderde toen al. Nu spelen voetballers spelletjes op PlayStation, wij waren aan het kaarten met elkaar en vooral ouwehoeren over voetbal. En plezier maken met elkaar, tegen elkaar biljarten en pingpongen. We hadden nog geen mobieltjes. Het was puur. En je leven was voetbal. Die tijd komt niet meer terug.”

‘In die eerste jaren
ging het om voetbal,
niet om geld en er
was dus ook geen jaloezie’

Edwin: ,,Nu word je overvoerd met voetbal. Toen had je het op zaterdag- en zondagavond op tv en op woensdag Europa Cup. Wij keken toen al het voetbal op tv. Wat je had gezien, ging je dan soms ook oefenen. Ook dat is nu veranderd, ze kijken niet meer wat ze zouden moeten kijken. Hoewel de groep van de FC, met de komst van de nieuwe staf, er wel toe is gezet, om beelden te kijken.”
Toen, ruim 25 jaar geleden, ging het beeld voor René Binken even op zwart. Midden in dat seizoen overleed zijn moeder. ,,Zij had, gedurende anderhalf jaar, ALS. Alle spierfuncties vielen uit. Een verschrikkelijke ziekte. Verwerken? Ik was 25, dan weet je niet hoe dat moet. Rijsbergen zei: ‘kijk maar wanneer je weer kan komen’. Dus ik was er al snel na de begrafenis, want wat moest ik thuis doen? De voetballerij was destijds keihard. Je moest verder.”

Vervelende tegenstander
Een verder kwamen ze. ,,We voetbalden niet mooi, maar beseften dat we een moeilijke en vervelende tegenstander waren om tegen te voetballen. Wij groeiden daarin en schakelden ondertussen in de beker AZ, Vitesse, Heracles en vervolgens FC Utrecht in de halve finale uit. Rijsbergen zei tegen de pers ‘ik heb niet gezegd dat we moeten verdedigen’, maar als je ook maar tien centimeter aan je mannetje gaf, dat kreeg je de trainer op je dak. We waren een counterploeg. Hadden voorin Vukov, De Freitas en Jörg Smeets, die waren bloedsnel.”
,,Mooie tijden”, zucht Edwin. ,,We gingen nog op de fiets naar de club. Onze vaders zaten tweewekelijks op de tribune. Of ze hoorbaar waren?” René: ,,Mijn vader wel. Die dacht niet eerst na over wat-ie riep.” Je had meerdere bekende geluiden, die over het veld neerdaalden. ,,Frits Kemper en één van die Kippen, als zij iets schreeuwden kon je echt horen op het veld. Frits drong dat seizoen ook een keer het spelershome binnen en riep ‘Rijsbergen, kijk effe naar Teletekst’. Moest-ie daarna maken dat-ie wegkwam.”
Edwin: ,,We gingen in die tijd als spelers voor elkaar in het vuur.” René: ,,Zeker in die jaren. Daarna kwamen steeds meer spelers die het echt als werk zagen, dat waren wij niet gewend. Toen was er ook niet meer de cultuur dat dat beschermd werd.” Edwin: ,,Je weet wat je aan een Volendammer hebt. Gaandeweg kwam er steeds meer nering. Jan Brouwer zat al jaren bij de club, aanvankelijk als trainer, later als manager. Dat bracht aanvankelijk goeds, maar uiteindelijk heeft het veel kapot gemaakt. Hij haalde ook de toenmalige Joegoslaven naar de FC, zoals Vukov, Stefanovic, Samardzic en Govedarica. Daar werd later niet helemaal goed mee omgegaan.”
De reis richting finale was gedenkwaardig. René: ,,Tijdens FC Utrecht-uit in de halve finale, kwamen we nauwelijks over de middenlijn. Tijdens de wedstrijd zei Edwin Gorter, één van de Utrecht-spelers, hardop dat hij niet kon begrijpen dat we zo wilden voetballen. Ab Plugboer, die toen bij Utrecht speelde, zei dat hij er niet op in moest gaan, want wij groeiden juist in zo’n situatie. De uiteindelijke 0-1 overwinning was gewoon gestolen. Maar van dat stelen genoten wij juist. Door de manier van voetballen haalden we de tegenstander uit de wedstrijd. Na die wedstrijd hebben enkele Volendammers hun auto en busje in Utrecht moeten laten staan, omdat die in de gevarenzone stonden. Utrecht waande zich namelijk al bekerfinalist, maar dat liep even anders.”

‘Wij kregen
– en dat vind ik
achteraf echt zonde –
helemaal niks mee
van de sfeer rondom
de bekerwedstrijd’

,,Eigenlijk hadden we de finale moeten winnen in de stijl van die andere bekerwedstrijden, dat was het ideale scenario geweest...”
Bij Feyenoord zat een toen nog rokende Wim van Hanegem als trainer op de bank. René: ,,Feyenoord was vooral een fysieke ploeg, met beesten zoals De Wolf, Van Gobbel, Fräser en Heus. Kiprich was echt heel goed, dat vond ik een mooie voetballer. Ze hadden Witschge, Peter Bosz (huidige trainer Bayer Leverkusen, red.) en voorin aan de buitenkant Taument en Blinker. Ajax en PSV lagen ons altijd beter. Dat seizoen speelden we thuis 2-2 tegen hetzelfde Ajax dat later de Champions League zou winnen.”
,,Feyenoord was ook een nare ploeg om tegen te voetballen, we hadden nooit geluk tegen ze, speelden slecht en verloren altijd.” Edwin: ,,Dat is een raar fenomeen. Bij sommige wedstrijden kon je van tevoren al zeggen hoe het zou aflopen. Groningen-uit en Twente-uit lagen ons ook nooit.”
Edwin: ,,De dag voor de wedstrijd reden wij met de selectie naar een hotel in Rockanje.” René: ,,Wij kregen – en dat vind ik achteraf echt zonde – helemaal niks mee van de sfeer rondom de bekerwedstrijd: al die bussen die op de dag van de wedstrijd uit Volendam vertrokken en daar bij De Kuip aankwamen, daar hebben wij niks van gezien. Toen we het stadion binnenkwamen en het veld op mochten, waren er op dat moment nog niet zoveel Volendamse supporters binnen. Daarna gingen we voor de warming-up het veld op en toen was het al een heksenketel en keek ik niet meer naar het publiek.”
Edwin: ,,Ik wel. Mijn vader had even daarvoor een hartinfarct gehad en het spande er om of hij naar de finale zou gaan. Hij zat er wel en daarom keek ik even waar hij precies was. Dat was een mooi moment. En ik keek waar mijn vrouw Jacqueline - die Jan Smit mee had - zat. Daarna sloot ik mezelf af.” René: ,,Mijn vader was ook in het stadion.” Edwin: ,,Mijn moeder zat voor de tv. Die mocht nooit komen, alleen als we in de jeugd kampioen werden.”

Geen ontzag
Winnen zou iets historisch betekenen: Europees voetbal spelen voor de dorpsclub. René: ,,In de weken naar de finale toe en toen we de dag ervoor in dat hotel zaten, hadden we het er nog wel over. ‘Stel je voor dat we volgend seizoen…’ Maar zodra de wedstrijd begint, denk je daar niet aan.” Bij de opstelling van de teams op het veld klonk het ‘Hand in hand kameraden’ uit de kelen van ruim veertigduizend mensen. René: ,,Ik kon me daarvoor wel goed afsluiten.” Edwin: ,,Wij stonden nooit stijf van de zenuwen. Tom Sier had dat ook niet en Johan Steur was gepokt en gemazeld.” René: ,,In die jaren hadden wij als ploeg geen ontzag en daardoor bereikten we ook iets.”
Volendam kwam vroeg op achterstand. Taument maakte in de zevende minuut de 1-0. Volendam kroop af en toe uit de schulp. Met een opkomende Binken. ,,Ik had Robert Molenaar bij me in het centrum van de verdediging. Het gebeurde een enkele keer dat er een spits was die hij niet kon houden. Dan klonk het ‘Bink, in de buurt blijven’. Als ik opkwam met de bal, dan kwamen we er ook plotseling snel met z’n allen uit. Dat was supereffectief.”
Vlak na rust kreeg het kleine Volendam de grote Kuip stil. Bij een tegenaanval leek het Feyenoord in slaap te sussen, totdat André Wasiman overstak en fantastisch uithaalde, voor de 1-1. Edwin: ,,We zaten op een gegeven moment goed in de wedstrijd. Nadat André Wasiman de 1-1 maakte, waren wij minimaal gelijkwaardig, misschien wel de bovenliggende partij.” René: ,,Bij 1-0 hoop je dat het niet te snel 2-0 wordt, anders maak je geen kans meer in De Kuip. Maar bij de 1-1 had iedereen het gevoel dat er iets te halen valt.” Edwin: ,,Tot dat moment…” Rond de 64e minuut.

‘Daar heb ik
wel zitten janken.
Ik had me er zo
veel van voorgesteld…’

,,Trainer Wim Rijsbergen had onze linksback Edwin Hermans behoorlijk gek gemaakt, dus die was erg gefocust op zijn tegenstander Taument. Toen ze allebei op me afkwamen, riep ik keihard ‘los’. Maar Hermans maakte toch een sliding op de bal en kwam daardoor met mij in botsing. Vervolgens heeft het gewoon te lang geduurd, de wedstrijd lag te lang stil, waardoor wij het momentum kwijtraakten. De ernst van de blessure werd op dat moment niet goed ingeschat door mezelf en door onze verzorger. Ik wilde er bovendien niet uit, dus ik speelde nog enkele minuten door, maar het ging echt niet meer. Toen nam Feyenoord het over. Hoeveel vloeken ik op het veld al had gegeven? Heb je even?”
René: ,,Wij zaten daarvoor vol adrenaline, er leek geen vuiltje aan de lucht. Toen lag de wedstrijd plots minuten lang stil en moest Edwin er ook nog uit. Obiku kwam er – in de 71e minuut – meteen in bij Feyenoord, toen ging het publiek schreeuwen, waardoor wij overrompeld werden. Een klassiek voorbeeld hoe een wedstrijd kan kantelen door een situatie.”
De winnende viel in de 82 minuut. De maker: Obiku. Edwin: ,,Ik was meteen doorgelopen richting catacomben en kleedkamer. Daar heb ik wel zitten janken. Ik had me er zo veel van voorgesteld… Later hoorde ik dat mijn vader ook had gehuild op de tribune.”
,,Vervolgens ontplofte De Kuip. Feyenoord had gescoord, want het geluid was zo hard, dat kon niet van Volendam zijn. Ik ben niet meer naar buiten geweest…”
René: ,,Ik weet nog dat Jozsef Kiprich meteen op de schouders ging bij Feyenoord: dat vond ik een leuke voetballer en daar dronken we na de wedstrijd wel eens een biertje mee, dat was een clown. Dat gunde ik hem. Maar de rest, alle feestelijke taferelen, daar walgde ik van. Je hebt een badjas aan, staat met een medaille in je handen en we liepen nog wel naar het vak waar de Volendam-supporters zaten. Dan zwaai je even en je bedankte ze. Maar je was niet blij.”

Doods
René: ,,Vervolgens kwamen we uit de douche, zaten we daar in het spelershome met mensen die gewonnen hadden. Nee, da’s geen mooie herinnering.” Edwin: ,,We kwamen terug in Volendam en het was doods. Niemand die ons stond op te wachten. Ik weet nog dat Piet Jonk en Kick Sport er voor zorgden dat we nog twee borrels konden drinken in het stadion. Verder was er niks. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was geweest dat je de finale speelde.” Ze werden niet als helden ingehaald. ,,Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.”
René: ,,Maar ik sprak daarna veel mensen, die het mooier hebben ervaren dan wij als spelers. Iedereen heeft er een verhaal bij. Iedereen was dolenthousiast, dat maakte je dan weer iets vrolijker.”
Edwin: ,,Later had je een uitzending van de LOVE en dan zag je wat er omheen gebeurde.” René: ,,En we hebben een videoband gehad van die dag, maar die is ergens in een lade beland. Ik hoefde de wedstrijd niet opnieuw te zien. Misschien de eerste tachtig minuten, maar de rest niet. Ik weet wat er komen gaat.”
Thuis bleek de ernst van Edwins blessure. De kruisband was gescheurd. ,,Ik ben toen niet met vakantie geweest, ben alleen maar bezig geweest met het herstel.” Zes jaar later, op diezelfde heilige voetbalgrond van De Kuip, won hij de UEFA Cup met Feyenoord. Hoe het leven kan lopen.
René Binken maakte daarna de mindere en roerige jaren van de FC mee.
,,Ik stopte als speler vlak voor de Nieuwjaarsbrand. Had last van mijn lies en was er negen maanden uit. Later kreeg ik last van mijn longen. Bleek dat ik tbc had opgelopen.” Na zijn loopbaan in het betaalde voetbal werd hij speler van de zaterdag-1, waar hij naderhand assistent-trainer van werd. ,,Toen er weer wat Volendammers, zoals jongens als Leon Tol en Robert Mühren, die vanuit de zaterdag-1 naar de FC gingen, kwam ik weer in het stadion.”
,,Of ik destijds in de finale shirtje heb geruild? Ik had geen behoefte aan een shirt van een Feyenoorder. Ik heb mijn eigen shirt gehouden. Dat waren net nieuwe pakjes. En ruilen, een shirt weggeven, daar stond bij ons straf op.”
Edwin: ,,Ons shirt van die finale was misschien wel het mooiste Volendam-shirt ooit. Dat wel.”

‘Edwin had die bal gehad…’

Op die Hemelvaartsdag van 1995 liep Volendam leeg. De thuisblijvers die niet naar De Kuip afreisden, zwaaiden de rest uit op de Julianaweg. In één van de 44 bussen stapten de destijds twaalfjarige Martine Molenaar, samen met haar vriendinnetjes Anneke Zwarthoed en Gerie Sul. Alle drie hadden ze een seizoenkaart. Voor Martine ging het nog wat verder. Ze was idolaat van Edwin Zoetebier. 25 jaar nadat zij even ontroostbaar was, ontmoeten zij voor het eerst. Bij het doel, waarachter zij als tieners elke thuiswedstrijd stonden. Ook echt een herbeleving. ,,Ik heb de samenvatting vanmorgen teruggekeken. Ik moest niet meer huilen, maar ik kan nog wel een brok in mijn keel krijgen”, zegt Martine.

De moeders van nu moeten graven in hun geheugen, want er waren in die tijd nog geen smartphones om van alles vast te leggen. Hoe kwamen ze ook alweer in De Kuip? Gerie Sul geeft opheldering. ,,Mijn vader en broer Cees gingen heen en zodoende gingen wij ook mee.”
,,De thuiswedstrijden waren nog op zondagmiddag”, zegt Anneke. ,,Als ze uit speelden, luisterde ik Langs de Lijn op die zondagmiddag.”
,,We gingen destijds ook wel een beetje naar ‘de voetbal’ voor de jongens van onze generatie. Ik weet niet of dat ook voor Martine gold.” Martine: ,,Ik ging vooral heen voor Edwin Zoetebier. Het was niet alleen omdat ik hem knap vond, ook omdat hij zo goed was.”
,,In het FC-stadion sloot Gerie Mühren ook bij ons aan, dat was ook een echte supporter.” Anneke: ,,Wij waren zo’n beetje de enige meiden.” Martine: ,,Volgens andere vriendinnen heb ik hen ook wel eens meegesleept naar een wedstrijd, maar dat was bij een promotiewedstrijd.”
Martine: ,,Die avond ervoor won Ajax de Champions League en dat volgde ik ook op de voet.” Anneke: ,,Ik had een levensgrote poster van Kluivert.”
,,Ik sliep thuis op de vliering. Naast mijn bed had ik een foto van Zoetebier en aan het schot hingen ook foto’s van hem. Van Kluivert was meer te krijgen in die tijd, dus daar had ik ook een poster van. Maar ik knipte alles uit van de FC en Edwin. Dat heb ik vast ergens bewaard…”
,,Of ik hem ook heb ontmoet? Nee. Ik heb ooit wel een handtekening gehad, maar durfde niet zomaar op hem af te stappen.” Anneke: ,,We zijn wel bij Vukov en Stefanovic, twee Joegoslavische spelers, aan de deur geweest, om een kaart met handtekening te vragen.” Martine: ,,Dat durfde ik bij Zoetebier niet te doen.”
Martine: ,,Wij hadden destijds voor enkele jaren een seizoenkaart.” Anneke: ,,Eigenlijk is het best wel gek dat wij gewoon op eigen houtje heen mochten, al vanaf elf jaar oud. Ik herinner me dat ik een keer iets vergeten was en van het stadion terugfietste naar huis, onderweg supporters van een tegenstander tegenkwam en die riepen van alles naar me en renden zelfs een stukje achter me aan.”

‘We hebben dat moment
daarna nog verscheidene keren
teruggekeken en dan moest
Martine weer huilen’

Op die ene donderdag in het voorjaar van ‘95 voelden ze zich veilig. Martine: ,,Het was echt een belevenis. Groot feest in de bus, de sfeer was onderweg al erg mooi. Al die bussen op de Julianaweg en de mensen die er stonden om de vertrekkende bussen uit te zwaaien. Het verliep allemaal goed. We kwamen ook geen Feyenoord-supporter tegen. Ik heb me geen moment onveilig gevoeld. Wat ik nog wel weet, is dat we in de hoogst gelegen supportersvakken zaten en daar vond ik het erg steil. Zoals ik later nog voor de FC in de Arena ben geweest. Dat vond ik ook eng, zo steil.”
Ze zongen luidkeels mee met de Volendam-supporters. Op een gegeven moment klonk ‘Wij gaan Europa in…’. ,,Ik had er echt vertrouwen in, want ze waren beter, zeker in de fase dat het 1-1 stond. Tot het moment dat Zoetebier geblesseerd raakte. Anders hadden ze nooit verloren. Echt niet.”
Anneke: ,,In het stadion moest Martine huilen.” Martine: ,,Ik was er echt ziek van. Na die botsing heeft hij het nog geprobeerd, om de wedstrijd uit te spelen. Maar even daarna gaf hij aan dat het niet ging. Bedroefd…”
Anneke: ,,We hebben dat moment daarna nog verscheidene keren teruggekeken en dan kreeg Martine het weer te kwaad.” Martine: ,,M’n vader en moeder hadden de wedstrijd opgenomen op videoband. Ik herinner me dat ik die 2-1 van Feyenoord ook meerdere keren heb teruggespoeld, om te kijken hoe ver de bal langs de ingevallen keeper (Edwin van Holten, red.) rolde. Heb ik opgezocht hoe lang hij was en hij was een paar centimeter korter dan Zoetebier en de bal ging ook maar een paar centimeter langs zijn hand. Dus Edwin had ‘m gehad…”
,,En je kon daarna niet op social media kijken hoe het met hem ging, want dat bestond niet.” Kort daarna zou haar idool naar Sunderland vertrekken. ,,En ik vond het bedroefd dat hij naar Feyenoord ging, maar ik heb hem nog wel een tijdje gevolgd.”
,,Als-ie nu binnen zou komen? Dan zou ik nooit meer goed komen. Ik weet niet of hij het nog weet, dat wij als meisjes van twaalf achter zijn doel stonden. Hij gaf wel even een ‘knikkie’ met z’n hoofd, dat hij ons zag. Wat? Gaan we straks samen op de foto? Dat meen je niet.”
’s Middags staan ze samen op het veld. 25 jaar later. Martines moeder is ook mee. ,,Dit is toch een stukje jeugdsentiment.” Een knuffel is helaas niet toegestaan. Edwin: ,,Maar dit is wel erg leuk, om zo even te ontmoeten. En herinneringen op te halen.”

Foto's:
De basiself, vlak voor het beginsignaal. Links staand Edwin Zoetebier, rechts staand René Binken en rechts zittend Johan Steur.

Vlammend schot van André Wasiman: 1-1.

Helemaal bovenaan in De Kuip zaten de Volendam-supporters.

Bussen op weg.

Edwin Zoetebier geflankeerd door de ‘meiden’ die 25 jaar geleden bij elke thuiswedstrijd achter zijn doel stonden en ook de bekerfinale bijwoonden: Martine Molenaar, Anneke Zwarthoed en Gerie Sul.

|Doorsturen

Uw reactie