Algemeen

Op pad met… Gerard Kemper

Van de Giro en de Tour naar ambulancebroeder

De Giro d’Italia is in volle gang. De wielergekte rondom een dergelijk evenement is voor Gerard Kemper (49) bekend terrein. Als meereizend verzorger van de grootste Nederlandse ploeg (Rabo) ervoer hij jarenlang hoe het is om voor én met de grootste renners van de koers te werken. Het vormde een boeiend hoofdstuk in zijn tot dusver stormachtige leven. Van professioneel wielrenner tot elektricien en van verzorger in de Tour de France tot ambulancebroeder. Op bezoek in de prachtige tuin achter zijn woning in Zwaag vertelt de Volendammer over zijn belevenissen. Trots wijzend naar een koffiekop met daarop een Ajax-voetballer zegt hij; ,,Dat is Boy, mijn zoon. Hij voetbalt voor Jong Ajax in de Eerste Divisie.” Gerards sportiviteit is duidelijk doorgegeven aan de volgende generatie.
Door Kevin Mooijer

,,Ik heb vier kinderen, waarvan twee uit mijn eerste huwelijk. Boy en Stephanie. Ze zijn beide voetballer. Stephanie voetbalt voor VV Alkmaar in de Eredivisie voor vrouwen en Boy komt als linksback voor Jong Ajax uit. Hij komt nu zo’n beetje in de leeftijdscategorie om door te stromen naar het eerste, maar als je Nico Tagliafico voor je hebt, krijg je een moeilijke situatie. Toch is Boy niet bang om de strijd aan te gaan”, aldus zijn tevreden vader. ,,Hij heeft in 2016 bij Ajax getekend nadat ze hem uit de jeugd van FC Volendam haalden. Boy is dus al een tijdje professioneel voetballer, maar hij is nog jong. Ik geef advies waar ik kan, maar laat het hem alles zelf bepalen. Je moet soms foute beslissingen durven nemen, dat is belangrijk voor je ontwikkeling.”
Gerard Kemper was acht lentes jong toen hij voor het eerst op een racefiets stapte. ,,Vrienden van me wilden gaan fietsen, dus ging ik dat ook maar doen. Niet veel later haakten zij af en ik bleef doorgaan. Mijn eerste fiets had dikke banden, daar kwam je niet op vooruit. Ik begon om prijzen te rijden en dus kreeg ik een fiets met dunne banden van mijn vader. Het was een enorm barrel, maar hij had in ieder geval dunne banden. Tot mijn elfde heb ik op deze fiets gereden. Ik denk dat mijn vader toen wel genoeg vertrouwen in me had om een goede fiets aan te schaffen.”
De nieuwe fiets kwam er en de elfjarige jeugdwielrenner doorliep de jeugdcategorieën. ,,Eigenlijk won ik bijna alles. Je wordt dan tot Nieuweling gebombardeerd en dan gaat het heel snel. In mijn tweede jaar won ik 26 wedstrijden, waaronder drie klassiekers. Ik was groot en sterk, net als nu eigenlijk, maar dan een stuk slanker…” Gerard kwam bij de Nationale Juniorenselectie en haalde brons op de 70 kilometer. Vervolgens kwam hij bij de amateurselectie en streed bij de top mee om vrijwel alle prijzen binnen die categorie.

‘Geen Olympische Spelen
en geen beroepsrenner,
ik moest een jaar
aan de kant zitten’

Na een mooie etappewinst in de ronde van Zweden, had Gerard in 1990 de keuze om contracten te tekenen bij enkele grote profploegen. ,,Op advies van mijn toenmalige coach besloot ik de Olympische Spelen van Barcelona nog mee te rijden als amateur, om vervolgens de overstap te maken naar de beroepsrenners.” Een flinke knieblessure gooide roet in het eten. ,,Geen Olympische Spelen en geen beroepsrenner. Ik moest een jaar aan de kant zitten. Dat was een flinke tegenslag.”
Toch is de Volendammer ergens blij dat hij geen beroepsrenner is geworden. ,,Mijn ouders haalden het nog vaak aan. Mijn generatie wielrenners maakt deel uit van het EPO tijdperk.” Hij noemt een rits bekende wielrenners op waarvan bekend is dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan dopinggebruik. ,,Als je in de fase zit dat je van amateur naar professioneel kunt gaan, sta je op een tweesprong: of je gaat erin mee, of je valt af. Als enige geen doping in een peloton gaat niet. Je kunt het vergelijken met iemand die drie dagen geen voeding heeft gehad en vervolgens een marathon moet lopen. Ergens word je dus gedwongen om erin mee te gaan en wat dat betreft ben ik blij dat ik het niet gehaald heb. Wel vind ik het jammer dat ik nooit een echte kans heb gehad om me te bewijzen. Ik denk namelijk dat ik wel had kunnen slagen als wielrenner, maar dan liever in een ander tijdperk dan het EPO-tijdperk. Tegenwoordig is er wat dat aangaat gelukkig een hoop verbeterd in het wielrennen.”
Ondanks Gerards drukke bestaan als wielrenner en elektricien vond hij inde wintermaanden jarenlang de tijd om ook marathonschaatser te zijn. ,,Ik werkte destijds bij Smit Electra en zij hebben mij altijd gesteund in mijn sportleven. Ik was vrij om te komen en gaan wanneer ik wilde, dus aan hen heb ik veel te danken. In die periode had ik dus veel tijd om te trainen en ik vond niets leuker dan marathonschaatsen.”
Voor de – tot op heden - laatste Elfstedentocht (4 januari, 1997) was Gerard niet ingeloot. ,,Ik was wel lid, maar helaas kreeg ik geen startbewijs. Tot ik op 3 januari 1997 om 11 ’s ochtends gebeld werd: ‘Je mag morgen rijden. Op basis van het natuurijsklassement ben je gerechtigd om mee te doen.’ Ik reed gelijk naar de winkel om benodigdheden in te slaan, maar ik kon geen flesje Extran meer krijgen! Het enige dat ik had was een Mars en een bidon thee.”
Samen met collega-marathonschaatser Marcel Nat, vertrok Gerard richting Leeuwarden. ,,We mochten bij Marcels nicht op de boerderij overnachten en zij bracht ons ’s ochtends vroeg ook naar de start. Daar sta je dan eerst nog anderhalf uur in de ijzige kou voor een hek te bibberen. Als het hek dan open gaat moet je vanuit lange stilstand opeens anderhalve kilometer sprinten om bij het ijs te komen. Marcel en ik zaten - kapot van het rennen - naast elkaar en ik dacht ‘zal ik nog gaan schaatsen of zal ik nu al stoppen?’ Marcel keek me aan en zei ‘trek die schaatsen nou aan, man!’. En dan ga je. Het donker in.”
,,Twee uur lang hebben we in het pikdonker gereden. De enige verlichting kwam van tractoren die boeren langs de kant hadden gezet. Soms stonden ze zo dat de lichten in je gezicht schenen. Je was dan verblind tot het moment dat je er voorbij ging. Dan was het in één klap weer pikzwart en doodstil.”

‘Ik ben trots op
mijn Elfstedenkruisje,
maar waar ik het
meest trots op ben,
is mijn verkiezing
tot sporter van het jaar
door de Kneuzen’

Gerard is de complete tocht niet gevallen. ,,Wel heb ik al mijn ruggenwervels geschaafd aan de lage bruggen waar je onderdoor schaatst. De eerste paar uur ben je nog lenig, maar na een tijdje ben je helemaal stijf doordat je continu in dezelfde onnatuurlijke houding beweegt. Pas op het einde zag ik schaatsers die zichzelf vlak voor een bruggetje lieten vallen, eronderdoor gleden, aan de andere kant weer opstonden en verder gingen. Dan krab je je wel even achter de oren!”
De parttime elektricien reed de Elfstedentocht uit zonder iets van de omgeving te zien. ,,Naast het feit dat het zo donker en koud was, kijk je naar beneden als je schaatst. Ik heb de hele rit dus niks gezien. Marcel en ik reden een lange tijd in het voorste peloton, tot we op een meer kwamen waar de fakkels – die de route moesten aangeven – uit waren gewaaid door de wind. We wisten niet welke kant we op moesten en het hele peloton splitste op. Wij kwamen in een groep terecht die helemaal op was. Dus wij zijn doorgereden. Daar zagen we de kopgroep weer. Dat was voor ons de bevestiging dat we binnen de tijd zouden komen om ons kruisje te verdienen.”
,,In Dokkum ging ik voor het eerst even omhoog. We schaatsten met zijn tweeën en opeens hoorden we hard gejuich en geklap. Tribunes vol publiek dat ons aanmoedigde. We pakten ons stempeltje van die stad en na dat gevoel heb je de wind weer in je rug. Dan ben je zo in Leeuwarden.” Gerard kwam als 64e binnen tijdens de Elfstedentocht van 1997. ,,Ik ben trots op mijn Elfstedenkruisje, maar waar ik het meest trots op ben, is mijn verkiezing tot sporter van het jaar door de Kneuzen. Die oorkonde hangt ingelijst aan de muur!”
Nadat hij zelf zijn fiets aan de wilgen hing, werd hij al snel gevraagd voor een andere positie in de wielerwereld. ,,Ik werd verzorger bij de damesselectie tot en met de Olympische Spelen in Sydney. Niet veel later werd ik aanbevolen door Michael Boogerd en Eric Dekker voor de Rabobank-wielerploeg. Ik heb onder meer negen keer de Tour de France gedaan met die mannen. Het is een leuke baan waarin je veel van de wereld ziet. Een groot nadeel is dat je tussen de 170 en 200 dagen per jaar van huis bent. Dat hakt er thuis natuurlijk wel in.”
Gerards huidige vrouw, Marieke, werkte toen hij haar leerde kennen op de spoedeisende hulp van het Dijklander Ziekenhuis te Hoorn. ,,Ik leerde haar collega’s – waaronder de ambulancebroeders – kennen tijdens een wintersport die ze organiseerden. Ze zeiden toen al dingen als ‘je moet bij ons komen solliciteren, je past goed in de groep.’ Ik had al een mooie baan als teamverzorger van de Raboploeg, maar Marieke en ik wilden ook graag kinderen. Wat dat betreft zou het beter zijn om een beroep uit te oefenen waarvoor je niet 200 dagen per jaar van huis bent. Ik besloot op het aanbod in te gaan en een paar keer mee te rijden met ambulancediensten.”
,,Met mijn 43 jaar had ik de leeftijd waarop het nog mogelijk was om mezelf om te scholen. Bovendien heeft men ambulancebroeders het liefst niet te jong, omdat je veel meemaakt en je wilde haren kwijt moet zijn wat rijden betreft. Ik besloot te solliciteren en nadat ik aangenomen werd heb ik een voortraject gevolgd van tien weken. Vervolgens ben ik weer naar school gegaan om officieel gediplomeerd te worden. Binnenkort ga ik weer een opleiding doen, maar nu om zelf instructeur te worden.”

‘Mensen breken voor je ogen,
zoiets vergeet je nooit meer.
Je moet zorgen dat zoiets
in het juiste vakje
in je hersenen komt’

De voormalig wielrenner is chauffeur en is daarmee verantwoordelijk voor vervoer en transport. ,,Daarnaast ben ik medisch assisterend en waarborg ik de veiligheid. Mijn collega is gefocust op de patiënt en ik ben vooral bezig met de omgeving; is er agressie? Liggen ergens wapens? Wat is de snelste route om hier weg te komen? Dat soort zaken.”
Maar als ambulancechauffeur beleeft hij ook dikwijls de heftige kant van het beroep. ,,Een tijdje terug was ik ter plaatse bij een ongeluk waarbij drie tieners uit een auto waren geslingerd. Twee van de drie waren op slag dood. Zoiets hakt er echt in. Natuurlijk heb je vaker met dodelijke ongevallen te maken, maar doorgaans gebeurt dat ergens op een weg. Niet midden in een dorp waar alle vaders, moeders, broertjes, zusjes, opa’s, oma’s al aanwezig zijn voordat wij arriveren. Ze stonden bij hun eigen kinderen te kijken en wij moesten nog starten. Het leek wel een slagveld waar we in terecht kwamen. Op het moment dat je stopt met de reanimatie, wat er dan loskomt is onbeschrijfelijk. ‘Nee! Neeeeee!’ Dat gaat door merg en been. Mensen breken voor je ogen. Zoiets vergeet je nooit meer. Je moet zorgen dat zoiets in het juiste vakje in je hersenen komt, anders kan je van alles oplopen.”
,,Als collega’s hebben we het veel over dit soort dingen en ik heb het voordeel dat mijn vrouw ook ervaring heeft met spoedeisende zorgverlening, dus met haar kan ik er ook goed over praten. Daarnaast hebben we een Bedrijfsopvangteam, dat contact met je opneemt na een dergelijke ervaring. Dat is allemaal heel goed geregeld. Hoe zwaar het ook kan zijn, we zijn dit allemaal gaan doen omdat we mensen willen helpen. Helaas lukt dat niet altijd.”

 

|Doorsturen

Uw reactie