Algemeen

Uit nood geboren overledenenverzorgster is van haar vak gaan houden

Bijzondere Banen; Geer Schokker

,,Ik was vroeger verschrikkelijk bang voor de doden”, begint Geer Schokker-Veerman haar verhaal. ,,Op jonge leeftijd kreeg ik verkering met Johan, mijn huidige man. In diezelfde periode overleed mijn oma. Johan en ik gingen naar mijn familie in het bejaardentehuis, waar ze in haar klederdracht opgebaard lag. Met knikkende knieën stond ik bij de kist te kijken, waar we zagen dat haar dasje niet helemaal goed zat. Johan pakte het dasje en knoopte het met een snelle handeling weer recht. Ik riep: ‘wat doe jij nou?!’ Hij reageerde heel kalm. ‘Denk je dat ze zelf in die kist is geklommen?’ Ik wist wel dat Johan iets met begrafenissen deed, maar ik had er nooit echt een helder beeld bij. Dat wilde ik ook helemaal niet. Ik dacht ‘lieve god, dit is nog wat’.” Inmiddels is Geer zelf ook al meer dan twintig jaar actief in de overledenenzorg. De Nieuwjaarsbrand speelde daarbij een grote rol.
Door Kevin Mooijer

,,Johan was zestien toen hij begon met dit werk. Ik werkte destijds bij Spaander achter de bar. Nadat we trouwden, begon Johan samen met Guido Woerlee begrafenisonderneming Nicodemus. Niet veel later kwam de aula in beeld en ik zei tegen Johan dat ik daar wel wilde werken als koffiedame.” Zo gezegd, zo gedaan. ,,Naast de aula bevindt zich de aflegruimte. Johan riep me daar wel eens bij, maar ik zag dat nooit zo zitten. ‘Ik kom wel, maar dan moet je het gezicht even bedekken met een handdoek’, zei ik dan. Ik vond het echt angstwekkend. Het wachten was natuurlijk op het moment dat er een keer personeelstekort was. Ik zag dat ze in de problemen kwamen en bood mezelf dus maar aan. Ik weet nog hoe het eerste moment was. We zouden iemand uit de koeling van het ziekenhuis in Purmerend moeten halen. Onderweg in de auto dacht ik ‘waar ben ik aan begonnen?’ Maar op dat moment kan je niet meer terug.”
Geer kreeg de taak om sokken aan te trekken bij het lichaam van de overledene. ,,Ik deed er natuurlijk alles aan om hem niet aan te raken, maar je ontkomt er niet aan. Dat Johan en Guido vrij weinig geduld hadden, heeft me wat dat betreft wel goed gedaan”, zegt de Volendamse lachend. ,,De enige ervaring die ik tot dat moment met de dood had, was dat mijn opa alle doodskisten van Volendam timmerde. Mijn vader en zijn broers kregen om beurten dienst om mee te gaan de overledenen in de kisten te tillen. De dood was dat betreft dus geen vreemd onderwerp bij ons in de familie.”
Op 1 januari 2001 sloeg het noodlot toe in Volendam. ,,De Nieuwjaarsbrand”, zegt Geer ontroerd. ,,Op de eerste dag waren er al acht jongeren overleden. Het was zoiets verschrikkelijks, ik dacht echt dat ik het niet aan zou kunnen. Toch wordt er op de één of andere manier van binnen een kracht aangewakkerd. Na afloop van die heftige periode dacht ik bij mezelf; ‘als ik dit kan, dan kan ik alles aan’. Daarna viel alles mee. Ik heb nooit meer zenuwen gehad.”

‘Het lichaam wassen,
de nagels knippen en schoonmaken,
haren kammen, mannen scheren we
altijd even’

Na de Nieuwjaarsbrand heeft Geer zich omgeschoold tot overledenenverzorgster. ,,Als ik er nu over nadenk, vind ik het mooiste van dit beroep dat we van het begin tot het einde van het traject meelopen en betrokken zijn. Onlangs overleed er iemand op zaterdagnacht. Vijf dagen later werd hij begraven en in de tussentijd kom ik dagelijks even bij de familie langs en kijk ik gelijk even of de make-up nog goed zit. Soms moet het even bijgewerkt worden in verband met verkleuring. Daar heb ik allerlei cursussen voor gedaan. Geleidelijk aan leer je hoe je de overledenen zo lang mogelijk ‘gezond’ kan laten ogen.”
,,Tegenwoordig mogen we overledenen ook uit het ziekenhuis ophalen. Vroeger was daar een speciale organisatie voor, maar sinds kort zijn we zelf bevoegd. We hebben daar ook een speciale auto voor. Ik meld me bij de balie, dan krijg ik een pasje en moet ik de auto naar de achterkant van het ziekenhuis rijden. We halen het lichaam van de afdeling, plaatsen het in een speciale hoes op een brancard en rijden die naar de auto. Dan rijden we naar de aula in Volendam.”
Eenmaal op locatie aangekomen begint Geers specialisme. ,,Ik beoordeel hoe het er allemaal uitziet en in welke staat het lichaam is, controleer of we de kleding al hebben ontvangen van de familie en dan begint het werk. Het lichaam wassen, de nagels knippen en schoonmaken, haren kammen, mannen scheren we altijd even. We zorgen dat ze er helemaal netjes uitzien voor we ze kleden. Mannen laten we er zo natuurlijk mogelijk uitzien, maar bij vrouwen krijg ik vaak een foto van de familie; ‘zo zag ze eruit’. We gaan dan met krultangen en haarlak in de weer tot de vrouw qua uiterlijk weer helemaal spic en span is.”
Uiteraard wordt niet iedere cliënt uit het ziekenhuis opgehaald. ,,Wanneer iemand thuis komt te overlijden, krijgen we een telefoontje van de familie of dokter en zorgen we dat we binnen 30 minuten aanwezig zijn. Je komt vrijwel altijd in een emotionele chaos terecht. De overledene ligt er vaak een beetje ongemakkelijk bij als het net gebeurd is. Wij verplaatsen hem of haar dan even naar de bank of op bed. Familie en vrienden komen allemaal nog even langs als ze het slechte nieuws hebben ontvangen. Ik probeer dan wat rust te creëren en maak een praatje met de familie wat er precies gebeurd is. Soms blijven mensen erbij om te kijken wat we precies doen, maar de meesten gaan weg. ‘Ik denk niet dat hij nog opgebaard kan worden hoor, hij ziet er echt niet goed uit’, horen we vaak. Dan stel ik mensen gerust en zeg iets als; ‘wacht maar af. Als hij zijn kleding aanheeft en we hebben even ons best gedaan, dan komt alles goed.’”

‘Als het om
overleden kinderen gaat,
dat doet altijd zó zeer’

Ondanks dat het dankbaar werk is, heeft het beroep ook zeker zijn nadelen. ,,Je bent altijd oproepbaar. Zeven dagen per week, 24 uur per dag. Tenzij je iets belangrijks hebt, dan zorg je dat er vervanging oproepbaar is. Het kan dus wel eens lastig zijn als je bijvoorbeeld net het eten op tafel zet, of je ligt net te slapen en je wordt opgeroepen. Dan moet je direct op pad en je moet professioneel zijn. Je leert er wel mee omgaan, maar het is niet altijd lekker.”
Een ander nadeel is de mentale last die Geer en haar collega’s ervaren. ,,Je neemt je werk echt mee naar huis. We kennen heel wat mensen in Volendam en dus ben je automatisch emotioneel betrokken. Je hoort verhalen aan en ziet gebroken families. Je ontkomt er niet aan dat het in je hoofd blijft zitten.”
,,Als we op vakantie waren en je mensen ontmoette, werd er wel eens gevraagd wat voor werk we deden. Op een gegeven moment was er een man die ons dagelijks op een resort hoofdschuddend aankeek als we hem tegenkwamen, zo heftig vond hij het. ‘Volgende keer zeggen we dat we schilders zijn’, zei Johan toen. Humor zorgen bij haar man en diens kompaan Guido Woerlee voor de belangrijke katalysator.”
Geer: ,,Het is boeiend, maar ook vermoeiend, kan soms veel energie van je opslurpen. Aan de ene kant bouw je een schild, maar het blijft mensenwerk, dus dat lukt niet altijd. Ik heb echter wel door de jaren heen geleerd, dat het heftige emotionele gevoel na de begrafenis weer wegebt. Soms was ik bang dat ik het niet vol zou houden, wilde ik me voornemen om mezelf afstandelijker op te stellen, maar ik weet dat dat bij het patroon hoort en ik daarna toch weer verder kan. Als het om overleden kinderen gaat, dat doet altijd zó zeer, dat blijft aan je plakken, ook omdat we zelf kinderen hebben.”
Vanwege het altijd oproepbaar zijn maken Johan Schokker en Guido Woerlee wekelijks veel meer dan veertig uren. ,,Zij zijn de enige twee fulltime krachten die we hebben. De overige 22 werknemers hebben een parttime dienstverband.” Op de vraag of Geer, als ze alles overnieuw kon doen, voor hetzelfde beroep zou kiezen, is ze duidelijk. ,,Er bestaat geen beroep dat ik liever zou uitoefenen dan dit.” De uit nood geboren overledenenverzorgster is van haar vak gaan houden.

|Doorsturen

Uw reactie