Niet likken aan de tafel
Sinds ik vader ben, spreek ik dagelijks zinnen uit waarvan ik niet vermoedde dat ze ooit nodig zouden zijn. Zinnen die je niet leert op school, die niet in boeken staan en die alleen logisch zijn voor mensen die met kleuters samenleven. Vermoedelijk vooral met jongens. Ik heb er twee.
Ik zit achter mijn laptop. Mijn oudste zoon van vier knutselt naast me. Althans, dat denk ik. Met een half oog hou ik hem in de gaten, zoals je dat doet: niet omdat je wantrouwend bent, maar omdat je weet dat stilte zelden goed nieuws is. En dan, zonder aankondiging, hoor ik mezelf zeggen:
,,Niet likken aan de tafel.”
Een volkomen bizarre zin, maar in een huishouden met een kleuter verrassend gangbaar. Daar is het geen uitzondering, maar dagelijkse kost. Nog geen vijf minuten later volgt de volgende: ,,Waarom staan je schoenen in de oven?”
Ze rijgen de bizarre ideeën aaneen alsof het niets is. En als ouder baan je je daar een weg doorheen, opruimend, corrigerend, tot ze slapen. Tot de rust komt. Of wat daarvoor doorgaat. Want voor je kunt gaan zitten, tref je eerst een T-rex op de wc aan en moet je de kat bevrijden uit een plek waar hij duidelijk zelf ook niet had gepland te eindigen.
En dan is het weekend. Twee dagen geen school. Twee dagen volledige creatieve vrijheid.
,,Nee, je mag de baby niet aaien met een stok.”
,,Niet op je moeder springen.”
,,Je hoeft je knuffel niet in te smeren met pindakaas.”
,,We eten geen prut. Ook niet ‘een klein beetje’.”
,,Haal die slak uit je jaszak.”
,,Niet Ruud z’n snorharen knippen.”
Kleine kinderen, kleine problemen, houd ik mezelf maar voor. Kleuters opvoeden vereist scherpte, oplettendheid, de hele dag door. Maar het betaalt zich terug.
Zeker als je columnist bent.
