Waarom praat die jongen zo hard?
Een zonnige zondag eindigt meestal ergens op een terras. Zoals het hoort. Gelukkig houden mijn zoons van 4 en 0 er ook van. Eerst een wandeling, kinderwagen mee, kleuter op z’n fietsje. Iedereen is vrolijk. Count your blessings. We vinden een mooi plekje. Bestellen wat drinken. Even de kaart bekijken. Mijn zoontje vertelt ondertussen sterke verhalen over school en probeert ons voor de 47e keer uit te leggen dat hij nu écht oud genoeg is voor Jurassic Park. ,,Ik ben vier.” Dat is zijn belangrijkste argument. Alsof hij morgen zijn pensioen gaat regelen.
Het leven is mooi. Het is rustig. Op één stem na.
Een jongen, ik schat hem zestien, zit met zijn ouders en vermoedelijk zijn broer. Voor zijn neus staat een glas wijn zo groot als zijn hoofd. Met elke slok wordt hij luider. Niet een beetje luider. Nee, alsof hij zonder microfoon de opstelling door het Kras Stadion moet roepen. Hij heeft zelf niet door dat hij schreeuwt. De mensen om hem heen wel. Die kijken zoals mensen kijken als ze denken: dit lossen we op met boze blikken. Dat werkt nooit, maar we blijven het proberen. Zijn gespreksonderwerpen schieten alle kanten op. Hoe je een Ziggo-abonnement ‘echt goed’ afsluit. Waarom iedereen het verkeerd doet. Welke smaaktinten er in zijn pinot grigio zitten: ‘beetje citrus.’ Die kennis kan je wel aan hem overlaten, zo verzekert hij iedereen in een straal van 600 meter.
Mensen raakten geïrriteerd. Maar ik niet. Ik zat daar en dacht: schreeuw door jongen. Gooi er nog een analyse uit over internetproviders. Want in mijn hoofd zat ik deze column al te tikken. Je moet toch weer met wat nieuws komen. En net als je denkt: waar ga ik het deze week in hemelsnaam over hebben… schuift deze jongen aan. Dank je wel, universum.
Enfin. Hij begon grappen te maken. Grappen waar hij zelf om bulderde. Zijn ouders keken alsof ze zich afvroegen waar het precies mis was gegaan. Zijn broer deed dat prachtige broersding: meelachen, maar dan met genoeg sarcasme om duidelijk te maken dat hij hier eigenlijk niet bij hoort. Toen hij op een bepaald moment de volledige aandacht van het terras had, was zijn vader er klaar mee. Die greep een serveerster bij de arm, duwde zijn creditcard in haar hand. Hij wilde weg. Nu.
Het feit is: hij heeft een zelfverzekerde zoon opgevoed. Maar er is een grens. Zelfvertrouwen is mooi. Maar dit was geen zelfvertrouwen meer. Deze jongen was of stokdoof en weigert gehoorapparaten, of hij gelooft zó heilig in zichzelf dat hij denkt dat een terras vol mensen daar voor hem zit. Dat iedereen zit te wachten op zijn inzichten over wijn, wifi en het leven.
Sommige mensen hebben een spiegel nodig om zichzelf te horen. Wie weet krijgt hij die ooit nog. Ik zie hem al zitten, twintig jaar later. Aan dezelfde tafel, maar nu aan de kant van de ouders. Tegenover hem een kind dat zijn gelijk komt halen. ,,Ja pa, goed luisteren. Dat kan je aan mij overlaten.” Te hard. Te overtuigd. Halverwege die zin kijkt hij op. Waarom praat die jongen zo hard?
