't Bottertje
Lid worden
't Bottertje
Lid worden

Algemeen

Over mensen

Een vrouw uit duizenden: Maartje Keizer-Kras

Ze stond een paar weken geleden al prominent in de Nivo op een foto, een klein en tenger meisje met een zwart Volendammer mutsje op. Maartje staat, net als de meisjes naast haar, in een bijna volwassen pose, de handjes licht gevouwen op het schort, ernstig in de lens van de camera kijkend. Ze moet een jaar of zeven oud geweest zijn, schat ze zelf in en we kijken samen nog eens naar de sepiakleurige foto, waarop tien jonge meisjes staan en waarvan Maartje Keizer-Kras als enige nog in leven is.
Door Gudy van den Hogen

Bij de vraag om voor de Nivo een stukje van haar levensverhaal op te tekenen, was ‘oeh lieve Jezus’ haar eerste reactie. Wat zou ze dan allemaal moeten vertellen? ,,Ik heb de Nivo alleen voor de mensen wie er dood zijn en dat soort zaken”, sprak ze gedecideerd. Dit verhaal gaat over Maartje, oudste dochter van Kees Kras en Eefje ‘Aif’ Jonk van het Kerkepad. Over de mensen uit haar jeugd, die lang geleden om haar heen leefden en over haarzelf, een gewone Volendamse vrouw over wie ik na één gesprek al een boek zou kunnen schrijven, een trilogie met een lach en een traan.
Op de morgen van de afspraak toch voor de zekerheid nog een keertje bellen, die vrouw wordt over een half jaar vierennegentig, dus ze zal het hoogstwaarschijnlijk wel vergeten zijn. Maar nee hoor: ,,Dat kleine beetje wat ik nog heb, werkt nog goed hoor!” Allerhartelijkst is de ontvangst, met koffie en roomboterkoekjes van de banketbakker. Haar knusse flat heeft een prachtig uitzicht over het park – ,,ik woon in de hemel hier” - en net na de eerste slok koffie gaat de bel. Het is haar schoonzuster Aal die even langs wipt omdat Maartje ’s middags altijd alleen zit.
Geestdriftig
Aal schuift gezellig bij de tafel aan en ze zit nog niet of daar gaat de bel alweer. Jongste broer Kees Kras, bijnaam simpelweg ‘Kras’, en vrouw Neel komen nieuwsgierig naar binnen gelopen. Of ze het konden ruiken dat er een vreemd ‘minsie’ binnen zat. Maar misschien had Maartje ze voor alle zekerheid toch ingeseind, je weet maar nooit tegenwoordig met al die vreemde lui aan de deur.
Het blijkt een geestdriftig groepje familie te zijn, daar aan de tafel bij onze Maartje. Was even nog onzeker over hoe dit aan te pakken, mijn eerste interview met door elkaar heen pratende mensen die elkaar aanvullen, aanmoedigen: ‘Maartje, dit moet je ook nog effe vertellen!’ Of: ‘weten jullie nog van onze vader in de oorlog, toen die Duitse soldaat langskwam en onze broer mee wou nemen. Dat onze vader hem toen alleen maar op de enorme overvolle pisemmer wees op het zoldertje, hahaha! Vader waarschuwde de soldaat: het maakt mij niet uit wat je plan bent maat, als je die emmer maar niet omver trapt. ‘Und mein Sohn ist krank, erg krank, hij kan nicht mit’. Hoe heroïsch kan een vader zijn voor zijn kinderen, zelfs nu nog na zo’n jaar of zesenzeventig getuige de volschietende ogen van zoon Kees.
Zo nu en dan wordt vriendelijk doch beslist het gesprek teruggebracht naar de gastvrouw, Maartje Kras, het kleine ernstige meisje van de foto. Het oudste kind uit een gezin van negen hongerige monden, armoe troef, ieder jaar een verse baby erbij. En Maartje durft het gerust zo te stellen: ,,Ik heb ze allemaal grootgebracht.”
Als jong meisje bleef ze met Kerstmis, Pasen en Pinksteren thuis achter met de zorg voor zeven jongere broers en zusjes. Pa en ma waren dan vertrokken naar Oss in Brabant waar broertje Cor op jonge leeftijd was thuisgehaald door een oom, die zelf al een stuk of 14 kinderen had. Waarom in vredesnaam gaat een jongetje uit een Volendams groot gezin wonen bij een oom in Brabant met een nog grotere kinderschare? Welnu, Cor had extreme last van benauwdheid, astma of bronchitis, daar wil ik vanaf wezen. En op doktersadvies moest hij uit de vochtige lucht rondom het IJsselmeer weg naar schonere, droge lucht in het zuiden des lands. Ik vind het best wel heftig voor de ouders van Maartje, zomaar je kind moeten ‘uitbesteden’. Want al heb je dan negen van die koters, je kan er toch geen een missen? Daar kan Maartje wel enigszins inkomen, maar dat neemt niet weg dat haar moeder ook wel vrij gemakkelijk was in ‘loslaten’. Zoals gezegd: de opvoeding kwam grotendeels voor rekening van de oudste zus.

Zij werkte achtenveertig uur
per week voor het duizelingwekkende bedrag
van tweeëneenhalve gulden

En al kon het gezin haar eigenlijk niet zo goed missen, Maartje ging op haar 14e toch uit werken, haar eerste baan bij de Monnickendamse Lingerie alwaar zij achtenveertig uur per week werkte voor het duizelingwekkende bedrag van tweeëneenhalve gulden. Haar eerste loonzakje bleef zes weken op de kast bij het Jozefbeeld staan te pronken, als een soort van trofee, hoop op betere tijden! En van dat bedrag kreeg Maartje vijf cent zondagsgeld dat zij verteerde aan ‘knal Garibaldi’s’, de voorloper van de huidige M&M’s bij Jamin op de Dijk.
Het zal ongetwijfeld op diezelfde Dijk zijn geweest waar Maartje haar eerste verkering heeft ontmoet, Klaas Schilder Mop. Klaas was met enkele andere dorpsgenoten dienstplichtig soldaat in Indonesië tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog die duurde van maart 1946 tot augustus 1949. Haar ouders waren in Oss toen Maartje moederziel alleen in januari 1949 het onheilsnieuws kreeg: Klaas was doodgeschoten. Gesneuveld in het verre Indië en dat terwijl die vervloekte oorlog al zo goed als voorbij leek te zijn. Maartje had drie jaar op haar Klaas gewacht en nu was het over en uit…
Tot haar 30e bleef ze alleen, ze had geen sticht in een nieuwe vrijer en haar vriendinnen verloor ze allemaal uit het oog. De meesten gingen trouwen en kregen kinderen. Maartje maakte op zondag een ommetje met haar moeder, arm in arm, naar tante Trijn. En soms vroeg een jongen haar mee uit wandelen, als zijn verkering net uit was geraakt, dan fungeerde Maartje als een soort van uithuilvriendin. Maar gelukkig werd Maartje op haar 30e (men fluisterde al voorzichtig van ‘vrije meid’) door de boezemvrienden Pap & de Snip, met zachte dwang attent gemaakt op het bestaan van ene Jaap Keizer, ‘Japie Ailtje’ die in de jaren ’50 -60’ de legendarische doelman van R.K.S.V Volendam was. ‘Maartje, je zou toch wel gek zijn om die jongen te laten lopen!’, klonk het destijds.
Na haar huwelijk met Jaap begon haar echte leven, aldus Maartje. Een nieuwe toekomst met haar eigen huishouden, een sociaal bestaan met de voetbal en gezelligheid. En Maartje mocht nu moederen over haar bloedeigen kinderen, een zoon Henk en twee dochters Eef en Gerda.
Catastrofe
Mooi was die tijd, totdat het noodlot weer toesloeg en dochter Eef getroffen werd door leukemie, toentertijd nog een moeilijk behandelbare ziekte. Op 25 november 1972 overleed Eef, slechts twaalf jaar oud en Maartje’s hart brak voor een tweede keer. Na de begrafenis kwamen ze thuis in een schemerdonker huis en zoon Henk van veertien deed alle lampen aan. Alsof hij snakte naar licht, na die duistere beklemmende jaren. ,,Hij leek wel opgelucht”, fluisteren Maartje en schoonzus Aal. Het beeld staat nog op hun netvlies gebrand.
Het was Sinterklaastijd en vanuit een soort innerlijke oerkracht besloot zij voor haar twee overgebleven kinderen de allermooiste en grootste Sinterklaassmak te kopen. Zij hadden immers in de afgelopen vier jaar genoeg aandacht moeten missen. Hoe ging je man Jaap om met het verlies van jullie dochter, vraag ik voorzichtig. ,,Hij leefde toen op het voetbalveld”, zegt Maartje. Soms hield ze haar hart vast om wat hij daar, zonder haar wakend oog, in zijn wanhoop zou kunnen doen. ,,De dood van je kind is het ergste wat je kan overkomen en je neemt het je leven lang mee”, zegt Maartje en haar ogen zijn peilloze diepten. De rest van de tafel valt stil en ze knikken, het verdriet is weer even voelbaar.
Maar zoals ze altijd gewend zijn, herpakken ze zich snel weer, dat kleine groepje familieleden dat nog overgebleven is van heel die grote familie Kras met aanhang. En ze praten weer verder, over vroeger, hoe arm het was en hoe ze toch er het beste maar van maakten. Over vader Kras, een goede man, die net als zoveel andere vaders in het dorp van alles en nog wat aanpakte om de kost voor zijn grote gezin te verdienen. Vissersknecht, ‘splaiten’, ‘fondslopen’ (ik begrijp iets met verzekeringen), haverdoppen voor kussens verkopen.
Het werd nooit een vetpot daar in huize Kras, maar honger maakt rauwe bonen zoet en ze praten zelfs nu nog verlekkerd over ‘de broeder van je moeder die laat vast in je bast’ met een stroopsausje. Een meelgerecht dat opgebakken nog beter smaakt en de magen goed vult! Of over de winterwortels die groeiden op een stukje land in die lange schrale oorlogsjaren. Praktisch het enige wat er nog te eten viel. Vader Kras maakte zich zorgen of zijn kinderen geen scheurbuik of iets dergelijks zouden oplopen en hij vroeg dokter Wevers of het geen last kon, dat eenzijdige menu. ‘Laat ze maar wortelen eten, dat kan geen kwaad’, antwoordde Wevers geruststellend.

Broer Klaas heeft het
vader nooit kunnen vergeven
dat hij van school werd gehaald
om te gaan werken op zee

De ene anekdote volgt rap op de andere. Er bleef ook nooit en te nimmer een stuiver over voor wat nieuw meubilair in huize Kras. Op een gegeven ogenblik was moeder Kras er helemaal klaar mee. Ze droeg haar zonen op om de krakkemikkige eettafelstoelen naar de zolder te tillen. ‘Waarom moeten die stoelen nou naar boven, ma?’ vroegen de jongens verbaasd. ‘Dat zal je zo wel merken’ was het antwoord en ze wrikte en wrong de stoelen één voor één uit het zolderraam zo naar beneden. ‘Ziezo, nu kunnen ze écht bij het grofvuil!’ Maartje vertelt het opgetogen en met enige trots in haar stem. Echter, hoe onverschrokken moeder handelde met die stoelen, zo timide kon ze zijn toen ze een paar begoniaatjes à 35 cent per stuk had gekocht en ze die verstopte onderin de kinderwagen zodat vader ze niet zou zien. Ik moet denken aan een gevleugelde uitspraak van mijn eigen moeder: Een man moet wel alles eten maar niet alles weten…
Bijna terloops is daar nog het verhaal van broer Piet, ook een astmapatiënt, die ten tijde van de wederopbouw na de oorlog in Arnhem in de sloop werkte. Al dat stof was funest voor zijn zwakke longen en Piet overleed op 19-jarige leeftijd aan de gevolgen van een longontsteking. Ik moet er even van slikken, maar het gesprek gaat alweer door over broer Klaas die heel goed kon leren maar door vader van school werd gehaald. Hij moest aan het werk op de allergrootste vissersboot, zijn bijdrage leveren aan het gezin. Maartje weet zeker dat Klaas dit niet heeft kunnen verkroppen en het zijn vader nooit vergeven heeft.
Het is twee uur verder en eigenlijk komen we net pas op stoom. Er hangt een bijzondere sfeer in de huiskamer van Maartje. Ik heb zoveel gehoord, zoveel wijze levenslessen kwamen en passant op tafel. Wat kunnen we nog veel van ze leren, van al die oude mensen, van hun angsten en zorgen. Van hun veerkracht, humor en al hun lief en leed. Het gaat je goed Maartje, een vrouw uit duizenden!

|Doorsturen

Uw reactie