Algemeen

Jan Kemper zag tijdens de oorlog meer dan goed voor hem was

Lach en traan liggen dicht bij elkaar

Jan Kemper stond als jongentje bekend als Jan Buiten. Inmiddels is hij 84, maar ondanks zijn leeftijd zegt Jan stellig dat hij het leeuwendeel van zijn leven buiten heeft gespendeerd. ,,Ik bracht zoveel tijd buiten door dat wanneer het hele gezin hetzelfde virus had opgelopen, ik nergens last van had.” Pas twee jaar geleden ging de Volendammer met pensioen. ,,Op mijn 82e kreeg ik de zak en een elektrische fiets van Kras Recycling”, lacht hij. ,,Ik ben nog altijd druk bezig en op pad. Die instelling heeft me tijdens de oorlog veel gebracht.” Ten tijde van honger en kou wist Jan als kind zonder angst op de één of andere manier vaak aan eten of brandhout voor zijn familie te komen, maar zijn actieve buitenleven had ook een keerzijde. ,,Ik heb in die tijd veel zien gebeuren. Misschien wel té veel…”
Door Kevin Mooijer

Jan werd geboren op 6 december 1935 en groeide in een gezin met twaalf kinderen op in de Ansjovisstraat in Volendam. Tijdens de oorlog telde het gezin Kemper vijf jongens (waaronder Jan) en één meisje. ,,We lagen met z’n drieën op een klein bedje op het zolderkamertje. Dat was toen eenmaal niet anders. Iedereen was arm in die tijd.”
Jan herinnert zich een tijd waarin er geen geld was voor schoenen. ,,De armoede was extreem. Ik heb bijna een jaar zonder schoenen op straat gelopen en daarna heb ik een periode op damesschoenen gelopen met halfhoge hakken.” Jans vader was zakkenmaker. ,,Hij naaide meelzakken voor een fabrikant. Van oude zakken die niet langer bruikbaar waren, maakte mijn moeder ondergoed voor ons. We droegen dan een onderbroek met het logo van een meelfabrikant, maar we waren al blij dat we ondergoed hadden.”
De broer van Jans vader, ome Cor, was groenteboer en had een boerderij aan de Achterhaven in Edam. Zijn groentewinkel bevond zich in het hart van Volendam aan de Julianaweg. ,,Op de boerderij stond een appelboom. Die boom was de reden dat mijn broers en ik de tocht naar Edam vaak maakten. We gooiden een stuk hout in de boom en als je mazzel had viel er een appel uit.” Tijdens de oorlog werkte Jans vader, en vaak ook zijn broers of Jan zelf, voor het groentebedrijfje van ome Cor. ,,Mijn taak was om bestellingen rond te brengen. In het begin gebeurde dat met paard en wagen, maar toen ome Cor zijn paard kwijtraakte werden wij de paarden.” In ruil voor hun arbeid kregen Jan en zijn broers verrotte groente. ,,Met een loopwagen vol groente liep ik als klein jongentje door de prut mijn route. Het enige voordeel van dit werk was dat ik af en toe stiekem zelf een stukje groente of fruit van mijn kar kon opeten.”

‘De armoede was extreem.
Ik heb bijna een jaar
zonder schoenen op straat
gelopen en daarna heb ik
een periode op damesschoenen
gelopen met halfhoge hakken’

Niet alleen het gebrek aan voedsel was tijdens de oorlog een probleem. Ook goede medische hulp was ver te zoeken. ,,In het midden van de huiskamervloer stond het kacheltje”, herinnert Jan zich. ,,Als we veel geluk hadden, stond op het kacheltje een pan aardappels te koken. Ik weet nog goed dat mijn broer Fruk de pan met kokend water vol over zich heen kreeg. Hij had derdegraadsbrandwonden over zijn been en moest vliegend behandeld worden. Een zuster hoorde van het ongeluk en regelde spenenzalf van een nabijgelegen boerderij. Ook had ze geregeld dat er wat te eten opgehaald kon worden voor Fruk. Terugkijkend durf ik te zeggen dat die zuster zijn leven heeft gered. Zonder dat bordje eten en die spenenzalf had hij het niet overleefd.”
Jan werd op pad gestuurd om het eten voor zijn broer op te halen. ,,Toen ik ermee naar huis liep en de geur mijn neus bereikte, was de verleiding groot om zelf een hapje te nemen – ik had ten slotte ook honger – maar ik deed het niet. Dat was voor Fruk. Hij moest er weer bovenop komen.” Fruk heeft lange tijd last gehad van zijn verwondingen, maar heeft het ongeval gelukkig overleefd.
Jan bleek als kind al heel vindingrijk. Ondanks zijn jonge leeftijd wist hij zijn familie tijdens de oorlog vaak van voedsel te voorzien. ,,Ik was natuurlijk altijd op pad. Je wordt niet voor niks Jan Buiten genoemd. We hadden tijdens de oorlog geen eten en geen medicijnen, maar ook geen speelgoed. Ik herinner me dat ik in de modder een fietswiel vond. Het wiel had de perfecte omvang voor een hoepel. Ik nam het fietswiel mee naar huis en maakte het schoon. Alleen de spaken moesten er nog afgeknipt worden.”
Diezelfde dag kwam de bakker langs om te kijken of de familie Kemper nog wat brood kon kopen. ,,Hij zag het fietswiel staan en bood er een hele bol voor. Ik was mijn hoepel kwijt, maar we hadden weer wat te eten. Een hele bol zelfs. Nou moet je niet denken dat een bol uit die tijd even groot was als dat ze tegenwoordig zijn, hoor.” Desalniettemin had Jan zijn moeder enorm blij gemaakt.
,,Mijn broers en ik liepen vaak naar de boerderijen een paar kilometer verderop. Gewapend met drie lege zakken trokken we erop uit om aardappels, uien en tarwe te zoeken. We hadden drie zakken om de drie producten te kunnen scheiden. De buurjongen maakte de fout om alles dat hij vond in dezelfde zak te gooien. Hij klaagde altijd dat al hun eten naar uien smaakte…”
Als Jan en zijn broers genoeg tarwe hadden gevonden, maakte hun moeder er een brood van. ,,Het was een heel proces dat begon met de zak tarwe tegen de muur te slaan, en het eindigde met een brood op het kacheltje in de huiskamer. In de tussentijd waren we om de beurt de tarwe aan het malen in een klein koffiemalertje. De smaak van dat brood was fantastisch. Tot op de dag van vandaag is dat nog steeds de lekkerste smaak die ik ooit heb geproefd. Het brood van mijn moeder. Er was niks dat ze niet kon.”
Naarmate de oorlog vorderde, ontstonden er steeds meer voorvallen met de Duitse soldaten die Volendam in hun greep hielden. ,,Op het Pellersplein zaten Poolse krijgsgevangenen. Dat waren aardige kerels. Wij speelden af en toe een potje voetbal met ze. Natuurlijk hadden we geen bal, dus maakten we zelf een bal van papier. We hadden geen kranten of goed papier, maar moesten het doen met zwart papier dat voor gasgenerators van auto’s gebruikt werd. Dit frommelden we tot een bal en om alles bij elkaar te houden, bonden we er wat touwtjes omheen. Als je drie keer een voorzet had gegeven viel hij uit elkaar en kon je weer opnieuw beginnen.”

‘Natuurlijk hadden
we geen bal,
dus maakten
we zelf een bal
van papier.
Om alles bij elkaar
te houden, bonden we
er wat touwtjes omheen’

Jan herinnert zich een specifieke middag. ,,We waren aan het overschieten met die Polen toen er twee Duitse soldaten op paarden onze kant op kwamen. Bij het zien van die nazi’s stopten de gevangenen gelijk met voetballen. Ze mochten natuurlijk geen plezier hebben. De soldaten kwamen dichterbij. Ik zie ze nog zo voor me, torenhoog op hun paarden. Toen ze de krijgsgevangenen bereikten, deed één van de Duitsers iets dat ik nooit zal vergeten. Hij keek één van de Poolse mannen strak aan, pakte zijn zweep en sloeg zo hard als hij kon in het gezicht van de weerloze man. Ik had direct een bloedhekel aan die Duitser. De gevangene had niks verkeerd gedaan. Het enige waar hij zich schuldig aan had gemaakt, was een potje voetballen met een paar kinderen.”
Vanwege het feit dat Jan zoveel tijd buiten doorbracht, heeft hij het één en ander zien gebeuren op straat. ,,Tijdens een razzia doorzochten de Duitsers de pulenhokken. Daar zaten een jongen van Rikkers en eentje van Kino ondergedoken. Ze werden ontdekt en de Duitsers brachten de jongens naar concentratiekampen. Jan Rikkers keerde na de oorlog terug, maar werd nooit meer de oude. Die jongen van Kino is nooit terug naar huis gekomen.”
Een ander verhaal met trieste afloop hoorde Jan van Hein Schemeravond. ,,De Duitsers hielden zich tijdens de oorlog op in Hotel Spaander. Daar sliepen ze, aten ze en speelden ze biljart. Jan Bolletje, een Volendammer, hield ook van een spelletje biljart. Zo nu en dan deed hij een potje mee met de Duitsers. Zolang hij maar, voor de zogeheten spertijd inging, om 20.00 uur weer thuis was ging het goed.”
Jan Kemper peinst: ,,Jan Bolletje had één probleem. Hij was nogal eigenwijs. Jan ging namelijk wél de straat op na 20.00 uur. Hij werd een paar keer gewaarschuwd door de Duitsers, maar hij bleef het volhouden. Op een avond zagen de Duitsers hem weer buiten lopen na spertijd. Ze zetten de achtervolging in richting het oude centrum…”
Het liep uit op een tragische gebeurtenis. ,,Jan Bolletje werd op het Doolhof doodgeschoten. De plaquette ter nagedachtenis aan hem hangt er nog steeds.” Jan kijkt bedenkelijk: ,,De Duitsers waren niet zo lekker, maar gelukkig wonnen ze niet altijd.” De verteller graaft in zijn geheugen naar een voorbeeld met een positievere uitkomst. ,,Voor de deur van het politiebureau zag ik drie mannen bij elkaar komen. Binnen in het politiebureau zat Moppie, de stratenmaker. Ik weet niet waarom, maar hij was gearresteerd. De drie mannen zouden hem gaan bevrijden. Met zijn drieën tegelijk stormden ze op de voordeur af. Ze beukten die deur eruit en Moppie schoot naar buiten. Hij wist te ontsnappen. Jaren later – na de oorlog – zag ik hem staan. Hij was een stuk dikker geworden. Het deed me goed dat hij het had overleefd.”

‘Mijn vader was
niet bang om een
trucje uit te halen
bij de Duitsers’

Tijdens de oorlog was zo’n beetje alles verboden voor mensen die niet uit Duitsland kwamen. Uiteraard liep iemand die in het bezit van een radio was ook de nodige risico’s. ,,Hoe bang mijn moeder voor de Duitsers was, zo onbevreesd was mijn vader. Op het zoldertje had vader een radio verstopt. Vergezeld door gemiddeld een man of zes, zat hij vaak op de trap te luisteren naar Radio Oranje. Hij was altijd op de hoogte van de ontwikkelingen omtrent de oorlog. Dat vond hij heel belangrijk. Wat keek vader gek op toen hij op een dag zijn radio van zolder wilde halen en ontdekte dat het apparaat er niet meer stond. Moeder had de radio meegenomen en aan de Duitsers gegeven. Ze wilde haar gezin beschermen en besloot het zekere voor het onzekere te nemen. Vader was zijn radio kwijt.”
Een dag later zag Jan zijn vader de straat in komen lopen. ,,Hij had een aardappelzak over zijn schouder. Binnen opende hij de zak en haalde er een gloednieuwe radio uit.” Jan lacht: ,,Vader had welgeteld één dag zonder radio gezeten.”
,,Mijn vader was niet bang om een trucje uit te halen bij de Duitsers. Wat me nog goed bijstaat is dat zijn benen, vanwege de ondervoeding en het gebrek aan vitaminen, helemaal stuk waren. Ze zaten vol korsten, open wonden en grote bloeduitstortingen.” Jans vader wist zijn pijnlijke aandoening in zijn voordeel te gebruiken. ,,Wanneer we de Duitsers de straat in zagen komen, ging mijn vader gelijk in zijn onderbroek op een stoel zitten, met zijn benen recht vooruit. Als die Duitsers ons huis dan in kwamen, zagen ze de wonden en dachten ze dat hij schurft had. Dan waren ze gelijk weer weg. Prachtig.”
Jan Kemper vertelt verhalen van ruim 75 jaar geleden tot in detail na. Je zou zeggen dat hij over een fotografisch geheugen beschikt. Zijn laatste verhaal bekrachtigt deze stelling des te meer. ,,Uit het trammetje dat ter hoogte van het Havenhof stopte, stapte af en toe een accordeonist uit Amsterdam. Hij liep spelend en zingend door de straten en ik volgde hem. Als we drie straten verder waren, zong ik het hele liedje mee.”
’s Avonds kwam Jan thuis en zong zijn nieuwe repertoire voor zijn familie. ,,Mijn vader vroeg hoe het mogelijk was dat ik dat liedje kon. Ik vertelde hem over mijn avontuur van die dag.” Jan slikt en begint te zingen. In de authentieke woning aan de Irissenstraat klinkt een indrukwekkende, karakteristieke stem. De droevige tekst die wordt voorgedragen vertelt over het jongste broertje uit een gezin dat het moeilijk heeft. In Jans oog vormt zich een traan terwijl het lied hem terugbrengt naar 75 jaar geleden.

Buiten is ‘t vinnig koud
En binnen brandt geen stukje hout
Daar zit een moeder, heel alleen
Met een paar kleuters om haar heen
‘t Is de verjaardag van Janneman
Die wou dat pappie nu maar kwam
Die zit natuurlijk in de kroeg
Krijgt van ‘t drinken nooit genoeg

‘Zeg Jantje, ik wil je vragen
Om pappie te gaan halen
Want, op een dag als deze
Behoort hij thuis te zijn’

Jantje rent de deur al uit
Hoort geen getoeter of gefluit
Opeens komt er een auto an
En overrijdt dan Janneman

In een kroegje wordt hij gedragen
En binnen hoort hij klagen
‘O jantje, hier is je vader
Herken je mij niet meer?’

Jantje slaat z’n oogjes op
En kijkt in vaders dronken kop
Jantje slaat z’n oogjes neer
En zegt dan voor de laatste keer

‘Zeg pappie, ik wil je vragen
Om mammie nooit meer te plagen
Dit zijn m’n laatste woorden
Nu zien we elkaar nooit meer.

Heeft u ook een oorlogsverhaal dat u zou willen delen? Of kent u iemand die zijn of haar verhaal zou willen doen? Neem dan contact op met onze redacteur:
kevin@nieuw-volendam.nl

|Doorsturen

Uw reactie