De Zusson | Fijne Mannen
Sinds een paar weken heb ik een nieuwe fysiotherapeut die me persoonlijk begeleidt in mijn worsteling met balans en spierkracht. Hij helpt me bij het revalideren en doet dat op een bewonderenswaardige manier, al is het maar door het enthousiasme waarmee hij mijn verbeten inspanning toejuicht. Onder het steunen en kreunen door weet ik mezelf nog quasi te beklagen bij een kennis die tussen de toestellen voorbij loopt. “Hoe verzinnen ze het allemaal hè, al die oefeningen! Maar die jongen is wel van goud, je zou hem zo onder de arm mee naar huis nemen!” Dat kan ik zeker beamen, al zie ik nu niet bepaald een toyboy in de achtentwintigjarige gespierde jongeman. Meer een soort van ideale schoonzoon, ware het niet dat het verlangen naar een laatste schone zoon is ingevuld: ook de jongste dochter is nu onder de pannen. Het feministisch vuur is bij mij pas op latere leeftijd gaan smeulen en vlammen, zo blijkt wel uit de wens naar degelijke mannen voor mijn drie dochters die altijd groot en aanwezig was. Ik leek daarbij heel erg op die moeders uit de romans van Jane Austen (Engeland, begin 19e eeuw) die slechts gegrepen werden door één zorg, één doel: hoe krijg ik mijn dochters aan de man?
Toen die van mij een stuk jonger waren en schuchter om zich heen begonnen te kijken op de vrijersmarkt, maakte ik ze geregeld, voorzichtig en tegelijkertijd opzichtig, attent op die leuke jongen uit hun klas, de handbalvereniging of gewoon in het voorbijgaan op de Dijk. En als ik dan ondanks hun afwijzing aandrong en ze probeerde te wijzen op de kwaliteiten of knappe kaken van de knaap in kwestie, smaalden ze: “Nou, dan ga jíj toch met hem als je hem zo leuk vindt!” Ook haalde ik steevast moeders wijze woorden aan: ‘een goede haan kraait drie keer’ (een jongen moet wel ‘werk’ van je maken). Afijn, mijn taak is volbracht al heb ik er zelf helemaal niks voor hoeven doen. En gelukkig maar, stel je voor dat het toch nog spaak loopt (klop af klop af op droog hout), mij kunnen ze dan niks verwijten.
Om terug te komen op mijn laat ontwikkeld feminisme: ik kan soms behoorlijk tekeer gaan over al die minkukels van mannen die nooit zijn meegegaan met de tijd. Zij verkeren in hooghartige manosferen en zijn nog steeds, of godbetert opnieuw, van mening zijn dat er voor de vrouw maar één recht is, en dat is het aanrecht. Die denken dat ze alles, maar dan ook alles, beter weten en kunnen dan de vrouw. Over die kerels wil ik het nu niet hebben. Ik wil eerder een ode doen aan al die fijne mannen die gelukkig ook nog bestaan, zoals die jonge en sympathieke fysiotherapeut, net als die bonuszonen die mij als moeder van louter dochters zijn gegeven. Ze zijn goedaardig maar niet sullig, ze zijn zorgzaam en weten hun mond te houden wanneer dat nodig is en de maandstonde daar is. Mannen die zo nu en dan ook kunnen luisteren zonder ogenblikkelijk hun alles oplossende raad te geven. Die geweldige vaders voor hun kinderen zijn waardoor de vrouwen weer, keer op keer, opnieuw verliefd op hen worden.
Jawel, ze zijn er nog dit soort fijne mannen, waarbij fijn dan vooral aangenaam, zuiver en van hoge kwaliteit betekent. Soms moet je ze met een lampje zoeken, soms loop je ze pats-boem tegen het lijf.
Gudy (tekst) Angelique
(illustratie) van den Hogen