Schokkende documenten Waterlands Archief Purmerend (deel 4)
In het Waterlands Archief te Purmerend bevinden zich documenten die de directe betrokkenheid van burgemeester Van Baar bij de Jodenvervolging in Edam aantonen.
Deze week: deel 4. In Edam woonde aan het begin van de Duitse bezetting in 1940 een groep Nederlandse en Duitse (gevluchte) Joden. Burgemeester Van Baar zorgde ervoor dat het Duitse vervolgingsapparaat in deze gemeente zonder enige obstructie zijn omineuze werk kon doen. Vanaf juli 1940 gaf Van Baar uitvoering aan alle anti-Joodse verordeningen in de gemeente.
Toegang 0658 Gemeente Edam, (1918) 1930 – 1945 (1956)
Inv.nr. 185 Registratie en beperkende maatregelen t.a.v. Joden alsmede een vergoeding voor de gemeente in de kosten van ontruiming van de door Joodse bewoners achtergelaten woningen, 1931-1943.
Aan het begin van het bezettingsjaar 1941 wordt in Nederland de verordening 6/1941 ‘betreffende de aanmeldingsplicht van personen van geheel of gedeeltelijk joodsen bloede’ van kracht.1 Kernstuk van de verordening is het indelen van Joden in Joods = J of B = Bastaardjood, waarbij voor de B nog onderscheid wordt gemaakt tussen B I (twee Joodse grootouders) en B II (één Joodse grootouder). De B wordt later vervangen door de G van Gemengd. De aanmelding vindt plaats bij de burgemeester in elke Nederlandse gemeenten, deze dient de gegevens zo veel mogelijk te controleren en te corrigeren aan de hand van de persoonskaart van elke belanghebbende of wat in het verblijfregister over hem of haar is vermeld. De aanmeldingsformulieren met de aanduidingen J, G I of G II worden opgestuurd naar Den Haag, naar het hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters J. L. Lentz, die de registratie goedkeurt.
De verordening 6/1941 is een maatregel die, in de woorden van Jacques Presser, buitengewoon diep zou ingrijpen in het lot van de Nederlandse Joden. Voor het slagen van de registratie was de medewerking nodig zowel van de Joden als van de Nederlandse ambtelijke instanties. De Joden hebben zich in overgrote meerderheid gemeld, zo schrijft Presser, onbewust van het dreigende gevaar, en ook omdat ‘men had geleefd in een correcte welbestuurde wereld waarin men toch al op allerlei kaarten stond, in registers voorkwam, die niet waren vernietigd, die intact als ze waren, elk verzet leken te verlammen.’ Bovendien was er de hoge straf, aldus Presser, ‘nalatigheid geldt als een “Verbrechen”, een misdrijf, dat op vijf jaar en/of verbeurdverklaring van vermogen kan komen te staan.’2 Wat de burgemeesters uit de gemeenten aan gegevens naar de Rijksinspectie opsturen, stemt de Duitse bezettingsmacht tot tevredenheid, de organisatie van de Bevolkingsregisters wordt mustergültig (voorbeeldig) genoemd, ondanks dat zich vertragingen voordoen en het aantal meldingen onder de raming blijft.
Ook burgemeester Van Baar van Edam levert zijn aanmeldingsformulieren in. In zijn begeleidende brief van 10 maart 1941 schrijft hij dat het in Edam om 27 personen gaat. Allemaal hebben ze het volle bedrag van een gulden betaald. Vrijstelling of vermindering van de leges, die men als aanmelder bij de burgemeester kan aanvragen, is niet toegepast, of afgewezen. Van elke gulden krijgt het Bevolkingsregister twee kwartjes. De zending van aanmeldingsformulieren door burgemeester Van Baar naar Den Haag volgt, zo schijnt het, het (voor de Duitsers) ‘voorbeeldige’ patroon van de registratie van Joden in de Nederlandse gemeenten door de Rijksinspectie. Toch zijn er twee zaken, waarin Van Baar zich bij de Rijksinspectie in Den Haag onderscheidt. De sluitingsdatum van de registratie in Edam is 5 maart 1941. Na deze datum verhuist een aantal Joden hals over kop van Amsterdam naar Edam. In Amsterdam is grote onrust ontstaan na de gewelddadige razzia’s op 22 en 23 februari bij het Waterlooplein, de eerste grootschalige razzia’s in bezet Nederland, die leiden tot het uitroepen van een staking op 25 en 26 februari (de Februaristaking). Twee dagen nadat Van Baar de 27 aanmeldingsformulieren naar Den Haag heeft gestuurd, neemt hij opnieuw contact op met de Rijksinspectie.
In zijn brief van 12 maart 1941 legt Van Baar het volgende administratieve probleem aan het hoofd van de Rijksinspectie voor: ‘Op verschillende data na 5 maart 1941 vestigden zich in deze gemeente enige joodsche families, komende van AMSTERDAM. Bij de aanbieding van de verhuiskaart werden door eenige dezer personen aanmeldingsformulieren verzocht als bedoeld in de verordening 6/1941 van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied.’ Voor Edam, zo vervolgt Van Baar, is de termijn van aanmelding (van 4 weken) verstreken, men zou terug moeten naar Amsterdam (waar de termijn op tien weken is gesteld), maar Amsterdam weigert de formulieren te accepteren. Van Baar vraagt het hoofd van de Rijksinspectie, ‘teneinde eventuele moeilijkheden te voorkomen’, of hij de betrokkenen toch mag registeren, omdat ze nu in Edam staan ingeschreven.
In zijn brief aan de Rijksinspectie van 12 maart formuleert Van Baar ook een schuldtoewijzing aan het adres van de Joodse nieuwkomers: ‘M.i. handelen de aanmeldingsplichtingen, door zich in mijne gemeente aan te melden, in strijd met de bepalingen der verordeningen daar zij de termijn van aanmelding overschrijden, omdat de voorwaarden, welke aan de verplichting tot aanmelding ten grondslag liggen, bij het in werking treden der verordeningen 6/1941 reeds aanwezig waren.’ De verordening 6/1941 geldt vanaf 27 januari, men had zich in Amsterdam kunnen en moeten registreren om niet tegen de sluitingsdatum van 5 maart in Edam aan te lopen, zo lijkt Van Baar in zijn ambtelijke frase te bedoelen. In ieder geval constateert Van Baar een overtreding en hij wijst het hoofd van de Rijksinspectie in Den Haag erop.
Van Baar krijgt toestemming van de Rijksinspectie om alsnog de aanmeldingsformulieren voor de Joden uit Amsterdam op te sturen. Op 2 april 1941 volgt de tweede zending aanmeldingsformulieren uit Edam, het gaat om zeventien personen, een bedrag van f 8.50 wordt overgemaakt aan de Rijksinspectie. 3 Met deze na-registratie heeft Edam 44 Joodse ingezetenen. Op 28 maart 1941 heeft Van Baar, op verzoek van de Commissaris in de Provincie, al een precieze opgave gegeven van de Joden in Edam, mannen, vrouwen jongens, meisjes, ook wordt geïnventariseerd of er Joodse verenigingen (met vermelding van bestuursleden) en eventueel verenigingsgebouwen zijn. De opgave van 28 maart 1941 is ook het enige document waarop voor Edam nog het aantal van 44 Joodse ingezetenen voorkomt. Want er is door de Rijksinspectie aan Van Baar weliswaar toestemming verleend tot de aanmelding van de zeventien personen uit Amsterdam, maar daarmee is voor Van Baar de kous niet af. Eind maart, begin april 1941 komt er een vestigingsverbod of verhuisverbod voor Joden in Nederland.4 En dit verbod wordt van toepassing verklaard op de zeventien Joden uit Amsterdam, die volgens Van Baar ‘in strijd met de bepalingen’ naar Edam (‘mijne gemeente’) zijn gekomen.
Er is weinig schriftelijke documentatie in het Waterlands Archief over deze door Van Baar met terugwerkende kracht toegepaste maatregel. Eén van de zeventien Joden uit Amsterdam, de bedrijfsleider Jacques Veerman (werkzaam in Volendam in de Lederwarenfabriek Joseph Leijser), blijkt al vóór maart logies te hebben gevonden op verschillende adressen in Edam. Er is een politierapport in het archief met vijf getuigen: Veerman heeft zich weliswaar op 7 maart 1941 in Edam ingeschreven, maar woont al vanaf 17 februari op Voorhaven 148. Hij mag uiteindelijk in Edam blijven. Kennelijk wordt de datum van 5 maart aangehouden om het vestigingsverbod voor de zeventien Joden te laten gelden.5 Onder degenen die naar Amsterdam moeten terugkeren bevindt zich het gezin Deutz, bestaande uit Willem Deutz en Kaatje Deutz-Nebig en de kinderen (allen onder achttien jaar) Femma, Juda, Levie, Sara, Jacob en Meijer. Ze wonen in de Grote Kerkstraat 58. Ze zijn op 5 maart 1941 ingeschreven in het bevolkingsregister in Edam, al op 7 april 1941 worden ze uitgeschreven.6
Een tweede kwestie bij de aanmelding, waarover Van Baar met het hoofd van de Rijksinspectie Lentz correspondeert, gaat over één van de 27 aanmeldingsformulieren die op 12 maart 1941 naar Den Haag zijn gestuurd. Nu ligt het initiatief bij Lentz om aan de bel te trekken. Eén van de formulieren is niet goed ingevuld. Leonie Bander-Lutomiski, die sinds 1918 ‘gemengd getrouwd’ is met Jan Bander, heeft één van de vragen op het aanmeldingsformulier die juist beantwoord. Bij de vraag hoeveel Joodse grootouders zij heeft, staat ingevuld dat zij er ‘vermoedelijk’ vier heeft. Zonder het ‘vermoedelijk’ zou zij een J hebben gekregen, nu is er onzekerheid ontstaan. Mogelijk komt de toevoeging ‘vermoedelijk’ van Leonie Bander voort uit een onduidelijkheid in de registratie zelf. Voor het bepalen of men Joods is, worden twee criteria gehanteerd: ras en religieus-kerkelijk lidmaatschap. Er is ruimte tussen deze twee criteria. De Joodse familie Lutomirski (in de 19e eeuw uit Lutomiersk in Polen naar Nederland gekomen) is niet gelovig. 7
Van Baar schrijft op 8 april 1941 aan Leonie Bander dat hij door het hoofd van de Rijksinspectie op de hoogte is gebracht van het ‘vermoedelijk’ in haar aanmeldingsformulier en ‘dat hier sprake is van een twijfelgeval waardoor op U de verplichting rust een onderzoek naar Uwe afstamming in te stellen, opdat met juistheid kan worden vastgesteld in welke categorie U zult moeten worden ingedeeld.’ De brief eindigt met de opmerking dat mocht dat onderzoek niet lukken, dat dan de beslissing van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied (Seyss Inquart) kan worden ingeroepen, of een door hem aangewezen instantie – dat wil zeggen, de top van de nazi-bezettingsmacht zal worden ingeschakeld. Een week later is het probleem opgelost. Op 15 april laat Van Baar aan Lentz in Den Haag weten dat Leonie Bander, geb. Lutomirski ‘mij heeft verklaard een onderzoek te hebben ingesteld naar hare afstamming.’ Het resultaat, zo meldt Van Baar is, dat haar vier grootouders ‘als voljoodsch kunnen worden aangemerkt, zoodat het woord “vermoedelijk’ gesteld in vak 9 van het aanmeldingsformulier, kan worden geschrapt. Thans kan dus met juistheid worden vastgesteld dat L.Bander-Lutomirski moet worden ingedeeld in de categorie J.’
Deze brief, met zijn conclusie over de juistheid van categorie J, bevestigt het beeld van burgemeester Van Baar als de controlerende en corrigerende spilfiguur bij alle anti-Joodse maatregelen in Edam. Leonie Bander heeft tegenover Van Baar verklaard dat zij vier Joodse grootouders heeft. De brief toont ook aan hoe de Jodenvervolging in een kleine gemeente als Edam (ruim 4000 inwoners) zich voltrekt. Naast de schriftelijke correspondentie van Van Baar over anti-Joodse maatregelen is er een hele (verloren) wereld van dagelijkse contacten waarin de Joden in het vizier worden gehouden en aan de vervolging worden blootgesteld – zoals bij de verwijdering uit Edam van de zeventien Joden (zo wist Van Baar al precies dat het om Joodse families ging, nog voor hun registratie). Het politiecorps Edam laat zich daarbij niet onbetuigd. Voor mevrouw Bander heeft het een belangrijke consequentie dat zij nu als ‘voljoods’ geregistreerd staat. Op 18 september 1942 krijgt ze opnieuw een brief van Van Baar, weer is de Rijksinspectie in Den Haag erbij betrokken: van 15 september tot 25 september wordt ‘de gelegenheid opengesteld voor de Joodsche partij’ om een ‘verklaring voor de vaststelling van een gemengd huwelijk’ af te leggen. Voor deze verklaring worden alleen zij toegelaten die in het bevolkingsregister met J worden aangeduid. Van Baar schrijft: ‘De verklaring strekt tot onderzoek of de Joodsche Partij in aanmerking kan komen voor vrijstelling van een tewerkstelling’. Deze concluderende zin in de brief van Van Baar is onderstreept, om aan de woorden nadruk te verlenen. Het is een hoogst alarmerend bericht: de ‘tewerkstelling’ (Arbeitseinsatz) betekent deportatie – waarvoor vrijstelling kan worden gegeven. Er bevindt zich geen document in het archief waaruit blijkt dat Leonie Bander is ingegaan op deze uitnodiging (‘gelegenheid’) voor nieuwe registratie.
De registratie die met de verordening 6/1941 is begonnen, heeft de deportatie van de Nederlandse Joden voorbereid. Door burgemeester Van Baar wordt, in de Duitse taal, op 4 maart 1942 een lijst opgesteld van alle Joden in Edam. Onder de rubrieken: Naam, Voornamen, Geboortedatum, Geboorteplaats, Nationaliteit, Beroep, Getrouwd of Ongetrouwd, Adres, staan nu alle gegevens bijeen van de Joodse ingezetenen, zoals die op 12 maart 1941 naar de Rijksinspectie in Den Haag zijn verstuurd. De naam van Jacques Veerman is nu toegevoegd. De naam van de ‘gemengd gehuwde’ Leonie Bander ontbreekt. De Duitse vluchtelingen op de lijst hebben onder Nationaliteit het woord Ohne (zonder). Onder Geboorteplaats is Keulen tweemaal gecorrigeerd in het Duitse Köln. Onder de lijst dit keer niet de gebruikelijke paraaf van Van Baar, Burgemeester van Edam, maar zijn handtekening.
Zes weken later, 24 april 1942, moeten de Joden op de lijst Edam hebben verlaten.
Erik Besseling
1. J. Presser (1965), De Ondergang. De Vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-’45. Staatsuitgeverij/Martinus Nijhoff, 54 e.v.
2. Zie Presser, 1965: 62.
3. Als een van hen, de meubelmaker Max Leever uit de Grote Molensteeg 1, zich schriftelijk tot de burgemeester wendt en vraagt om kwijtschelding of mindering van de leges van 1 gulden, schrijft Van Baar op 18 maart 1941, ‘dat ik hiertoe geen termen aanwezig acht. Ik raad U daarom aan, de verschuldigde leges ad f 2,– zoo spoedig mogelijk ter gemeente-secretarie te voldoen, waarna U een aanmeldingsformulier voor U en Uw dochter zal worden uitgereikt.’ Max Leever is gemengd getrouwd.
4. Haarlem loopt voorop met het besluit (van eind maart 1941) waarin, na de vele anti-Joodse verbodsbepaling voor het betreden van allerlei openbare gebouwen en voorzieningen, het de Joden verboden wordt zich in Haarlem te vestigen. Zij die zich er na 25 februari hebben gevestigd, dienen ‘onverwijld’ een vergunning aan te vragen (zie Presser, 1965: 104). In Haarlem wordt het vestigingsverbod dus met terugwerkende kracht van toepassing verklaard. Op 10 april laat Hauptscharführer Blohm op 10 april aan de voorzitters van de Joodse Raad weten dat verhuizen uit Amsterdam naar andere plaatsen niet meer was toegestaan (zie Presser, 1965: 112). Het verhuisverbod is voor Presser het logische sluitstuk in de registratie van de Joden. In de woorden van Presser: ‘voor de Erfassung was een eerste voorwaarde, dat men de slachtoffers binnen de heining dreef.’
5. Bedrijfsleider Veerman schrijft op 30 april 1941 over het vestigingsverbod, waarvan hij slachtoffer dreigt te worden, een brief aan de Commissaris der Provincie NoordHolland. Deze NSB-functionaris schrijft op 6 mei een brief aan Van Baar: ‘Indien de daarin vermelde feiten en data juist zijn, en in het bijzonder, als de heer Veerman inderdaad op 17 februari jl. in Edam in pension is gegaan om zich blijvend in Uwe gemeente te vestigen, zou het Vestigingsverbod op hem niet van toepassing zijn en zou hem namens mij kunnen worden medegedeeld, dat hij zich in Uwe gemeente kan vestigen. Het politierapport in Edam van 8 mei 1941 met de vijf getuigen komt direct na de brief van de commissaris tot stand.
6. Het hele gezin Deutz wordt op 16 juli 1943 in Sobibor vermoord.
7. Interview Guusje Bander, 17 september 2000.