Joey…
Als jongetje was ik idolaat van voetbalshirts, in een tijd dat je van de plaatselijke FC nog geen tenue kon kopen. De roemruchte stadions waren voor mij als voetballer onbereikbaar, maar in zo’n shirtje van Tottenham Hotspur, Celtic of Saint-Etiënne mocht je kinderfantasie zijn gang gaan. Kon je in gedachten meer met een bal dan je daadwerkelijk kon.
Geboren in het jaar dat Ajax met Gerrie Mühren voor het eerst de Champions League won, mocht ik als zevenjarige ’s nachts opblijven toen Oranje de WK-finale in en tegen Argentinië verloor. Er kwamen meer Volendammers die aan het begin stonden van iconische momenten. ‘Dees gait erin’, riep ik uit tijdens die historische zomerdag in 1988, toen dorpsgenoot Arnold Mühren in de EK-finale een pass met een grote boog had losgelaten. In de seconden dat de bal onderweg was, bedacht Marco van Basten iets geniaals, door ‘m ineens op zijn rechterschoen te nemen. De trilling van het stadion in München was tot in Volendam voelbaar. Sensationeel was het evenzeer toen een groots spelend Nederlands Elftal tien jaar later in de halve finale van het WK – met weer een Volendammer – Brazilië op de rand van uitschakeling bracht. Wim Jonk had vlak voor tijd een slimme pass op Pierre van Hooijdonk. Vasthouden… ‘penalty’, schreeuwden we. Maar er was geen VAR, anders had Jonk in de WK-finale gestaan. De aansluitende strafschoppenserie ging naderhand verloren.
Een paar maanden later werd in Volendam een jongetje geboren, dat als kleuter zijn grootse voetbaldromen uitsprak. Joey Veerman. Waar ik heen reisde, ging er steevast een voetbalshirt mee terug, Australië, Nieuw-Zeeland, Argentinië, Zuid-Afrika, Mozambique. Als ik zo’n shirt tijdens het zaalvoetbaluurtje op zaterdag droeg, keek de tienjarige Joey – die uiteraard voorzien van bal met zijn vader meekwam – aan de zijlijn met van die grote fantaserende ogen naar het tricot. ‘Welke is dat?’
Jaren later stond dat jongetje zelf aan de lopende band met een gave passes aan het begin van iets moois, in steeds grotere stadions, tegen steeds grotere clubs. In 2022 zat hij in de Oranje-voorselectie voor het WK, maar hij en wij als voetballiefhebbers moesten geduld hebben. Twee jaar later was het EK. De verwachtingen hoog, óók bij hemzelf. Vernietigend, wat er vervolgens gebeurde. Gewisseld, na ruim een half uur tegen Oostenrijk. Vernietigend hoe verantwoordelijken er mee omgingen, staf, journalisten, analisten, de social media. Afgebroken. En daar moet je dan mee om kunnen gaan. Door wie hij is, wat hij kan, hoe hij doet, wat hij zegt, is dat jongetje met die fantaserende ogen verworden tot de meest besproken Nederlandse voetballer. Iedereen heeft en deelt zijn mening. Dat maakt nieuws. Dan wordt zijn mening daarover gevraagd. Dat wordt ook weer nieuws. En zo gaat het maar door.
Niet zijn inzicht, fluwelen passes, doelpunten en statistieken zijn nu doorslaggevend. Maar zijn houding. Zijn karakter, zoals de bondscoach zegt. Want dat is anders. Hij kan slecht tegen verliezen, maar juist dát, én het stukje arrogantie én die drive om zó graag het verschil te willen maken, dat kan júist van pas komen straks in juni. Stiekem hopen we nog. 20 juni, Houston, Verenigde Staten. Nederland bijt zich stuk op een stug Zweden. Joey Veerman meldt zich aan de zijlijn. En enkele minuten later, een ragfijne pass op Donyell Malen. 1-0. We schreeuwen het uit. Fantaseren mag…
