Verzetsheld Manus Groot krijgt plaquette op zijn werf
Op 4 mei werd om 11.00 uur bij Scheepswerf Groot aan de Lingerzijde 25 in Edam een plaquette onthuld ter nagedachtenis aan Manus Groot. Verschillende mensen deelden verhalen over hem en tot een uur na de onthulling was er gelegenheid om de werf, de oudste nog functionerende werf van het land, te bekijken. „Alles wat er staat, heeft Manus aangeraakt", aldus Freek Slot, de huidige eigenaar.
Edammer Manus Groot (1910-1996) verstopte tijdens de Tweede Wereldoorlog wapens en munitie van het verzet op zijn scheepswerf en voer met een boot vol aardappelen van Friesland naar een Amsterdams ziekenhuis. Hij zag dat als ‘gewoon doen wat hij moest doen’. Freek Slot en Karin Weel, de huidige eigenaren van de werf, herdenken Manus’ moedige acties met de onthulling van de plaquette. „Hij was een heel bescheiden man die geen eer wilde.”
Manus Groot hoorde bij de verzetsgroep Knokploeg Waterland. In het pakhuis van de scheepswerf, toen nog beheerd door zijn vader, lag een diepe put. Daar verstopten ze wapens van het verzet. De opening dekte Manus af met een zwaar aambeeld. Alleen Manus — hij was ‘immens sterk’, aldus Freek Slot — kreeg het blok omhoog. Zo bleven de spullen goed verborgen voor de Duitsers. Naast de werf zat de winkel van zijn ouders, waar zij onder meer schildersartikelen verkochten. In lege blikken die bedoeld waren om verf te mengen, stopten verzetsleden handgranaten, geweren en munitie. De blikken dichtten ze met pek, waardoor ze er niet afwijkend uitzagen. Zo konden ze door de hele regio naar diverse knokploegen worden vervoerd.
En daar bleef het niet bij. Tijdens de hongerwinter van 1944 en 1945 kampten ziekenhuizen in de hoofdstad met voedseltekorten. Volendamse vissers maakten de gevaarlijke tocht van Friesland naar het Onze-Lieve-Vrouwe Gasthuis in Amsterdam met schepen vol aardappelen. Toen Manus hiervan hoorde, stapte hij aan boord van zijn in 1932 zelfgebouwde zeilschip om hetzelfde te doen. Op de terugweg dreigden de Duitsers het schip — de Oké — in beslag te nemen, dus liet Manus het zinken. Het zeilschip werd later opgedoken en staat vandaag de dag nog op de werf.
Manus Groot was de vierde generatie in zijn familie die de scheepswerf runde. Hij kreeg zelf geen kinderen. Toen hij in de jaren zeventig de pensioenleeftijd bereikte, kwamen de vader van Freek Slot en zijn compagnon achter de knoppen te zitten. Sinds 2016 zijn het Freek (59) en zijn vrouw Karin die aan het hoofd staan van de werf, die nog altijd de naam Groot draagt. „Mijn vader en ik waren zijn familie”, zegt Freek. „Of eigenlijk: de wereld was zijn familie.”
Alle jonge Edammers waren welkom om bij hem over de vloer te komen en Manus nam ze onder zijn hoede. Freeks vader behoorde tot ‘zijn jongens’ en werkte in de weekenden bij hem. Ook Freek was er als jongen altijd te vinden. Ze leerden veel van hem. „Het was een zeer belezen man. Hij wist alles te vertellen, hij verkocht nooit onzin.” Manus leerde hen ‘leven met de elementen’. Hij groeide op op het water en wist alles af te lezen aan de maan, de stand van de sterren en de wind. „Daardoor heb ik geen weerbericht nodig om te weten of het gaat regenen of koud wordt”, zegt Freek. Hij heeft warme herinneringen aan die tijd en aan Manus. „Hij had een kastje met één deur waar taaitaai lag voor de kinderen. En als we de boot opgingen, kregen we Koetjesrepen.”
‘Ontelbare keren’ voeren de twee naar Friesland. Ze leefden praktisch. ‘Jongen, je moet goed eten’, zei Manus dan tegen Freek. „Ik kreeg dikke boterhammen met roggebrood, kaas en spek.”
Wandelen deden ze ook veel. Als jongetje had Freek weleens moeite om Manus’ grote stappen bij te houden. De man die een lengte van zo’n twee meter bereikte en schoenen van maat 48 droeg, deed zijn achternaam eer aan. Freek herinnert zich dat hij een roer van zo’n tweehonderd kilogram in zijn eentje van een schip wist te hijsen. En dat hij in zijn eentje een aambeeld kon verplaatsen. „Dat lukt niet eens met z’n tweeën.”
‘Vertel eens over de oorlog’, vroeg Freek — toen tien jaar oud — voor het slapen gaan als ze ’s nachts op het IJsselmeer dobberden. Dan kwamen de verhalen, ‘zonder schroom, maar ook zonder op te scheppen’. „Het waren feiten waar niet omheen te draaien was, daar maakte hij geen poppenkast van. Hij was onvoorstelbaar eerlijk.” Zo luisterde Freek naar Manus’ verslagen over die ijskoude hongerwinter. In die maanden maakte Manus kachels voor Edammers die niets meer hadden. Dat deed hij met de partij ijzer die hij voor het uitbreken van de oorlog had gekocht, met het plan om een zeilschip met twee tien meter lange masten te bouwen. Dat kwam er niet van. „Zij die geen geld hadden, kregen de kachel voor niets. Zo was hij.”
Niet alleen in tijden van oorlog handelde Manus onbaatzuchtig. Dit blijkt uit de anekdote over een stel dat zonder slaapplaats kwam te zitten. Manus liet ze in zijn bed slapen — ‘dat was niet eens een vraag’ — en lag zelf in de stoel of op zijn boot. „Zijn zorgzaamheid maakte hem bijzonder.”
Freek en Karin willen de daden van Manus eren en herdenken met de plaquette. Het is een kopie van de ‘Legitimiteitskaart voor vrijheidsstrijders’, waarmee Manus zich identificeerde als deelnemer aan het verzet. „De jaren zijn om voordat je het weet. Het is tijd om de belangrijke dingen te delen, Manus hoort daar ook bij.” Freek en Karin vinden het belangrijk dat er nu nog mensen zijn die over Manus — iedereen in Edam noemde hem Ome Manus — kunnen vertellen.
„We willen laten zien wat hij voor de medemens betekende en aan kinderen laten zien dat iedereen gelijk is en er mag zijn. Want dat gold voor hem.” „Als de jonge generatie meevoelt, leren ze de vrijheid waarderen”, zegt Freek. Hij wil daaraan bijdragen door stil te staan bij hen die bijdroegen aan het verzet en de vrijheid.
Tekst: Karin Weel | Foto’s: Egbert Snijder









