Wat zou Buster doen?
Dat is een vraag die ik mezelf als vader vaak stel. Iedereen met kinderen onder de tien weet wie Buster is: de vader uit Bluey. Een hond, ja. Maar ook de beste vader die momenteel op televisie rondloopt.
En dat weet ik zo zeker omdat Bluey iets doet wat weinig kinderprogramma’s lukt: het trekt niet alleen kinderen het scherm in, maar ook hun ouders. In tegenstelling tot Bing, Peppa Pig en andere producties waarin volwassen mannen een opgefokte kopstem opzetten die binnen tien seconden je dag weet te verpesten.
Bluey heeft alles. Humor, emotie, levenslessen, muziek die je zonder schaamte in je eigen playlist zet. Maar vooral: het lijkt nergens over te gaan, maar gaat ondertussen precies over alles wat ertoe doet. Geen grootse avonturen, geen pratende raketten of superhelden die alles oplossen. Gewoon een gezin. Spelen in de tuin. Naar bed gaan. Een ochtend die uitloopt. Gedoe om niks. Het echte werk.
Buster en Chilli zijn tweeverdieners met twee dochters. Ze doen maar wat, net als wij. En dat is misschien wel het sterkste van de serie: onder de vrolijke buitenkant zit een tweede laag. Over vermoeidheid. Over twijfelen. Over het knagende gevoel dat je tekortschiet, en het de volgende dag toch weer probeert.
Wat Buster bijzonder maakt, is niet dat hij perfect is. Integendeel. Hij is moe, heeft geen zin, probeert onder het spelen uit te komen. Maar hij kiest er – bijna altijd – toch voor om mee te gaan in de fantasie van zijn kinderen. Om op de grond te gaan liggen. Om wéér diezelfde rol te spelen.
In een aflevering spelen Bluey en Bingo dat Buster hun ‘paard’ is. Hij rijdt ze rond, terwijl hij zichtbaar doodop is. Je ziet hem twijfelen, even. En dan doet hij het toch. Niet half, maar volle bak. Omdat hij snapt dat dit het moment is. Dat dit die kleine dingen zijn die later groot blijken te zijn.
En dat is confronterend. Want hoeveel van die momenten laat je zelf voorbijgaan omdat je nog even op je telefoon zit? Omdat je moe bent? Omdat je denkt: straks. Terwijl straks vaak gewoon niet komt.
Soms zit ik ’s avonds op de bank. Moe. Twee zoontjes tegen me aan. Dan komt die vraag: zullen we spelen? En dan denk ik: wat zou Buster doen? Het antwoord weet ik al. Die zou opstaan.
Dus probeer ik dat vaker te doen. De vloer op, tussen het speelgoed. Niet omdat het moet, maar omdat je later pas beseft dat dit de momenten waren waar alles om draaide.
